Deprecated: Function set_magic_quotes_runtime() is deprecated in /var/www/vhosts/kusterseducatie.nl/rickenmiek.nl/textpattern/lib/txplib_db.php on line 14
Into The Wild Wild West: Extra's

Nicky Spaans Meneer Eygenraam en Rosbief en Onderbroekje

mei 12, 11:41

Laura en Annet

Laura en Annet den Heijer woonden in het huis onder de onze. Hun moeder, Truus, was thuisnaaister. Iedere avond hoorde we het geratel van de naaimachine als we moesten slapen. Haar naaikamertje was onder de slaapkamer van mij en mijn zusje. Truus was een grote blonde vrouw. Ze was net zo groot als Gerrit, haar man. Gerrit was een mooie man, dat kon ik als klein meisje al zien. Misschien zag ik het aan zijn houding, hij liep erbij alsof hij de ladykiller van Scheveningen was. Blonde krullende lokken en lichtblauwe ogen. Hij was gespierd en altijd bruin. Hij werkte als badmeester bij het luxebad. Het luxebad was een stukje strand, aan het begin van het Zwarte Pad, waar je moest betalen om op het strand te zitten. Je kon vanaf de pier over het strand niet bij het Noorderstrand komen , omdat er een hek tot in de zee was rond het luxebad. Gerrit den Heijer zat daar de hele dag in zo’n hoge witte stoel de mensen in de gaten te houden. Vandaar dat gebruinde en gespierde lijf. Misschien wist ik ook dat Gerrit een mooie man was omdat mijn moeder en mijn oma het vaak over hem hadden. “Kijk, daar loopt Gerrit! Weer in zijn blote bast! We moeten allemaal maar zien wat een lijf hij heeft!” Gerrit liep in de Bosschestraat te paraderen in zijn blote bast.

Laura, de jongste dochter, zat een klas hoger dan ik. Annet zat nog eens twee klassen hoger. Met zulke blonde gezonde mensen als vader en moeder, moesten zij ook wel mooie meiden zijn. En dat waren ze. Vooral Annet. Annet had de blauwe ogen van haar vader met donkerblond, dik haar. Haar wimpers waren zwart, alsof ze mascara op had. Zij speelde niet echt buiten, ze stond te praten met haar vriendinnen. Er was altijd wel een jongen die achter Annet aanzat. Die jongens kwamen uit andere straten speciaal naar onze straat om Annet te zien. Soms stond ik vanuit mijn slaapkamer achter het gordijn te kijken naar Annet en die jongens en meisjes. Ik moest zo vroeg naar bed, dat ik nooit moe was. Het geklets en gespeel met mijn zusje duurde eindeloos. Het acht uur journaal begon al en we sliepen nog steeds niet. Ik moest altijd veel kwijt aan mijn zusje. Alle gekheid die in me zat en waar ik overdag niets mee deed, kwam er voor het slapen gaan uit. Ik kan me niet goed herinneren wat ik dan allemaal te vertellen had, het waren voornamelijk fantasieverhalen en verkleedpartijen met de lakens. Ik drapeerde mijn laken, die ik Frits noemde om me heen en maakte een modeshow voor mijn zusje. En als ze sliep ging ik soms stiekem naar Annet kijken. Het geratel van de naaimachine, het geklets van de meiden buiten en het geluid van de televisie in de huiskamer, daar sliepen we bij in.

Er gebeurden een aantal drama’s bij de familie Den Heijer. Eerst kreeg Annet een hoef van een paard tegen haar hoofd. Die twee meiden waren nogal vaak in de manege te vinden en Annet was zo’n paardenliefhebber dat ze onder een paard ging zitten. Het paard werd boos en schopte met haar voorbeen naar achteren. Groot gat in het hoofd van Annet. Annet naar het ziekenhuis en toen ze terugkwam was de helft van haar hoofd kaalgeschoren en zag je de hechtingen zitten. De wond had de vorm van een hoefijzer. Deze gebeurtenis maakte dat mijn idool in een gewoon meisje veranderde. Annet, het mooiste meisje van de buurt heeft een kaalgeschoren hoofd! En omdat alle kinderen als aapjes naar haar gingen kijken, deed ik het ook. Annet was niet meer ver weg, ze was dichtbij en ze was aan de dood ontsnapt! Want natuurlijk waarschuwden de moeders dat wij nooit zoiets doms moesten doen als Marjan had gedaan. Onder een paard gaan zitten! Een paard is een gevaarlijk dier, je kunt een paard nooit vertrouwen!

Na die episode met het kaalgeschoren hoofd van Annet, kwam er een tweede drama. Truus ging er vandoor. Ze was weg en had haar gezin in de steek gelaten. Het geratel van de naaimachine was weg.
Gerrit was alleen met de twee meiden en liet zich niet al te vaak zien. Het was een schok. Een moeder die een vader en twee dochters in de steek liet! Er werd flink wat gespeculeerd door mijn moeder en mijn oma en de mensen die ’s middags een borrel bij mijn oma dronken. De vrouwen waren verontwaardigd omdat Truus er met een vrouw vandoor was. Ze was verliefd geworden op een vrouw! Truus, die de mooiste man van Scheveningen aan de haak geslagen had, liet hem in de steek voor een vrouw! Wat een belediging voor Gerrit! En iedereen had eerst gedacht dat Truus problemen had met Gerrit omdat Gerrit te veel met andere vrouwen aan de haal ging. Maar nee, Truus hield van vrouwen!

En Laura kwam opeens vaak bij ons thuis. Ze wilde dan met mij spelen in de keuken en hapjes maken van allerlei dingen uit blik. We maakten spinazie met knakworstjes of pindakaas met jam door elkaar. En dan vroeg ze of ze die hapjes mee naar huis mocht nemen! Mijn moeder mocht er niets van weten! Ik begreep er niets van, ze was zo bazig ineens en zo dwingend over die vervelende spelletjes met eten in de keuken. En wat bleek? Ze at die gekke hapjes samen met Annet op! Ze hadden geen eten in huis! Ik ben een paar keer naar beneden gegaan. Het was een ongelooflijke puinhoop. Het stonk naar de hond die niet uitgelaten werd en de keuken was een grote bende. Je zag van buiten af dat het huis steeds meer verwaarloosd werd. Gordijnen kapotgetrokken door de hond, de gordijnen van het naaikamertje altijd dicht, tot er een andere vrouw kwam. En toen nog een vrouw. En toen kwam Truus weer terug. We hoorden het aan het geluid van de naaimachine. En Gerrit ging weg. Nooit meer gezien, die Gerrit, ook niet in zijn stoel bij het luxebad

De liefste herinnering aan mijn moeder.

Toen ik een jaar of zes of zeven was, sliep ik met mijn zusje in de grote slaapkamer aan de voorkant van het huis. Naast onze kamer was een kleinere kamer en mijn vader had een stuk muur tussen die twee kamers eruit gehakt en een boog gemaakt. Door die boog kwam je in dat andere kamertje. In dat kamertje had mijn vader zijn oude pick-up neergezet en ook zijn map met oude singletjes lag daar. We luisterden wel eens naar die oude singletjes, “Michèle” van de Beatles was mijn lievelingsliedje. Op die pick-up konden we ook langspeelplaten spelen, mijn zusje en ik hadden er vier: twee van de Fabeltjeskrant, een van “Kunt u ons de weg naar Hamelen vertellen meneer” en Indische sprookjes verteld door Johan Fabricius. Wat een rijkdom! We hadden veel muziek in ons huis: mijn moeder hield van Gordon Lightfoot en Judy Collins, Joni Mitchell en Crosby, Stills, Nash and Young, mijn vader had meer met Bach, Beethoven, Handel, en met alle groten van de moderne jazz, laten we zeggen de hard-bop. Miles Davis, Lester Gordon, Art Blakey, Cannonball Adderley, John Coltrane. Mijn moeder kon er nooit tegen als hij naar die muziek luisterde. Dan was er een feestje en dan MOEST mijn vader gewoon zijn muziek draaien. Dan werd het helemaal onrustig, we zaten lekker te spelen, moesten we dat gezeur en geklaag van onze moeder weer aanhoren!

We leefden er goed, mijn zusje en ik. ’s Ochtends vroeg maakte onze vader ons wakker om half acht. Hij deed net alsof we grote haast moesten hebben om half acht, we moesten altijd enorm opschieten met wassen en aankleden, want we moesten helemaal aangekleed aan de ontbijttafel zitten. We dronken hete thee en mijn vaders’ brillenglazen kregen een laagje condens. Mijn moeder was dan of weer terug naar bed gegaan, of in bed gebleven. Ze had slaapproblemen, lag vaak vanaf een uur of drie/vier wakker, viel dan om zeven/acht uur in slaap. Of helemaal niet en dan moest ze ’s middags voor de kachel op de grond, met een klein kussentje nog een slaapje doen. Vlak voor het eten geloof ik. Mijn vader zei dan altijd dat ze beter in bed kon gaan liggen, maar dat deed ze niet.

Ik had op vrij jonge leeftijd al in de gaten wat een onhuishoudelijk type mijn moeder was. Ze ging bijvoorbeeld stofzuigen vlak voordat mijn vader thuiskwam, zodat hij steeds thuiskwam in een huis waar gestofzuigd werd. Ze lag ook vaak uren in bad. Ze was dan heel vrolijk, zei dat ze haar schoonheidsbad hard nodig had en soms mochten we bij haar in het bad om haar haar te wassen.

Mijn zusje en ik mochten veel van onze moeder. We hadden een keer iets gebakken in de oven en de hele keuken was vies. We moesten het zelf opruimen en het kostte haar veel moeite om ons dat te laten doen. Ik weet niet meer hoe het gelopen is, maar de opruimpartij eindigde met een ijsbaan situatie, mijn zusje en ik hadden de keukenvloer zo glad gemaakt met afwasmiddel, dat we konden schaatsen op onze blote voeten. We hadden schortjes aan en sjaaltjes op ons hoofd en mijn moeder vond het zo leuk dat ze foto´s ging maken.

Thuis kon alles en op school moest je je stoeltje aanschuiven, de juf een handje geven en stilzitten. En er waren kinderen die ruzie maakten, roddelden, elkaar bekritiseerden, die zelfs vochten!

Ik kon niet wennen aan dat geroddel. Ze vroegen bijvoorbeeld vaak “voor wie ik was”, als er eens een ruzie was. Die kleine ukkies moesten partij kiezen… Ik wist niet eens wie dat waren waar ik partij voor moest kiezen! Soms kende ik de meisjes die ruzie hadden wel, maar dan had ik geen idee waar de ruzie over ging en dan kwamen ze weer: “Voor wie ben jij?” Ik wist het vorige keer ook al niet, hoe moet ik het nu opeens weten?

Wat ook even wennen was, was dat het zo groot was op school en dat er zoveel donkere hoeken waren. Een donker stuk gang waar je door moest om op een donker stuk van het speelplein te spelen. Een beetje staan springen op een randje, een beetje rondrennen, een beetje klapspelletjes proberen, papagaaitje leef je nog ofzo, maar vooral rennen, naar de zonnige kant van het plein met een grote boog rennen. En intussen stonden ze ruzie te maken in dat donkere stuk van de speelplaats bij dat stoepje. Stonden ze daar met zijn allen samen te scholen! En dan ging de bel en dan moest je naar dat donkere stoepje en daar kreeg je het weer: ’’Voor wie ben jij…’’

“Ik ben voor niemand,” zei ik steeds weer en dan werd het een woordenstrijd; ik móést voor iemand zijn! Ik moest kiezen en ik wilde niet kiezen! Ze keken op je neer als je voor niemand was. Je hoorde er niet bij als je voor niemand was. Ik dacht dat ze na een poosje op zouden houden, maar nee hoor, telkens kwam het weer: “Voor wie ben jij…”

Thuis voelde ik me soms bezwaard, dan dacht ik dat ik geen vriendinnetjes met die ruziënde meisjes kon worden en ook niet met die meisjes die “Voor wie ben jij…” vroegen.

De avond voor het jaarlijkse schoolreisje, we zouden de volgende dag met de bus naar een pretpark gaan, het zal wel Drievliet zijn geweest, lag ik te huilen in bed. Mijn moeder kwam naast me zitten en vroeg: “Wat is er?” Ik zei natuurlijk dat er niets was, dat ging nog een poosje zo door, ik onder mijn deken verstoppen, mijn moeder de deken eraf halen, en ze bleef doorvragen: “Ben je zenuwachtig voor het schoolreisje morgen?” Die vraag is de liefste vraag die mijn moeder mij ooit heeft gesteld.

Ze troostte me, zei dat ik mocht doen wat ik wilde op het schoolreisje. “Weet jij wat je morgen heel hard gaat roepen in de bus…” “Nou,” zei ik en ik klaarde al op, want er ging iets leuks komen; “…Joepie duhuh POEPIE!!!”
En de volgende dag, toen de bus klaarstond om te vertrekken en we al een beetje begonnen met snoepjes ruilen, riep Ronnie Max, het grootste schoffie uit de klas heel hard: “Joepie duh POEPIE!!!” Ik kreeg een heel warm gevoel, ik wilde aan het meisje naast me zeggen dat mijn moeder dat ook al had gezegd, maar toen ik mijn mond opendeed, deed ik hem snel weer dicht. Dat kón natuurlijk niet!

NICKY SPAANS

Ik had een vriendinnetje, Nicky Spaans. Ze stond een beetje alleen in de groep van de andere meisjes waar ik mee omging. Misschien was het omdat ze zichzelf zo bijzonder vond. Ze had grote bruine ogen, lang bruin haar en leefde in haar eigen wereld, die vooral voor de spiegel plaatsvond. Ik stond dan naast haar voor de spiegel en dan ging ze ons bekijken. Haar eigen lange haar, waar ze staarten en vlechten in kon doen en mijn korte haartjes waar we dan ook een staart in probeerden te doen. Ze vertelde me geheimen, dat ze nog met een knuffelbeer sliep, welke knuffels haar lievelingsknuffels waren…… Haar grootste geheim was, en ik breek nu de belofte, ik mocht het nooit in mijn hele leven aan iemand vertellen: Ze was in een woonwagen geboren. Nicky kwam uit een circusfamilie. Haar moeders familie heette Molenaar, van de oliebollenkraam.

Nicky had rotte tandjes. Ze sliste daarom een beetje, maar ze vond zichzelf er niet minder mooi om. Een keer hadden we op school in de klas van mevrouw Donselaar een les over tandenpoetsen. Wie moest voor de klas komen en met haar rotte tandjes uitleggen hoe je je tanden moest poetsen? Nicky. Geen spoor van schaamte, ze legde uit dat je met de borstel niet dwars over je tanden moest poetsen, maar van boven naar beneden.

Ik bekeek Nicky met bewondering, maar, omdat de andere meisjes dat ook deden, moest ik haar ook wel haten. Dan schaamde ik me als ik met haar ging spelen. Alle meisjes letten erop met wie je speelde. Als zij dan bij mij speelde en we gingen buiten op straat spelen, waren al mijn andere vriendinnetjes daar en die gingen mij dan raar aankijken dat ik een indringer meegenomen had. Dan liever bij haar spelen. Bij Nicky speelden we binnen of speelden we in de tuin. We gingen ook wel eens tussen de middag naar het werk van Nicky’s moeder. Ze werkte in het bejaardentehuis, als wij kwamen was ze bezig met afwassen, ze leerde ons hoe je een stapel borden snel moet afdrogen.

Die moeder was erg lief. Ze sprak heel anders dan de andere moeders tegen ons. Ze maakte veel grapjes en was geïnteresseerd in ons. Toen Nicky een klein broertje kreeg, kwam ik kijken. Die moeder zat met dat babytje aan de borst. Ik liep snel de kamer weer uit: De blote borst van een moeder! Maar de moeder van Nicky riep me terug en zei dat ze het niet erg vond als ik haar borst zag, ze moest het babytje toch voeden!

Op een dag wilde Nicky dat ik bij haar ging spelen en ik had geen zin. Ik wilde gewoon op straat spelen. Op straat spelen was het leukste wat er was. Er waren altijd een hoop kinderen en je ging met zijn allen besluiten wat je wilde doen. Bovendien kon je op ieder moment ophouden. Als je met één vriendinnetje speelde, zat je de hele tijd met dat ene vriendinnetje, dan ging dat meisje een web om je heen weven, een web van geheimen en dan zat je gevangen in dat web. Het web van de spulletjes op de kamer, een web van roddels, een web van: nu ben jij mijn beste vriendin……….
Ik zei tegen Nicky dat ik met mijn moeder naar de stad ging. “Je moeder werkt toch?” “Ja, maar vanmiddag is ze vrij.” En ik speelde op straat in de brandende zon, we zaten daar lekker bij het portiek van mijn oma en daar kwam Nicky. “Je ging toch naar de stad?” “Ik wacht op mijn moeder.”
Ze ging weer weg. De andere kinderen gingen zich ermee bemoeien. Er ontstond een hele straatdiscussie over Nicky en dat ik tegen haar loog. Het was verschrikkelijk. Ik wilde gewoon een beetje hangen op straat, zonder moeilijkheden. En na een uur kwam Nicky weer, ze wilde met ons meespelen tot mijn moeder zou komen. We gingen maar gewoon spelen, mijn moeder kwam niet, ik deed maar of ik het vergeten was. Maar Nicky stak me nog af en toe: “Wanneer komt je moeder nou?” En ik maar hopen dat mijn moeder niet opeens voor onze neus zou staan………..

MENEER EYGENRAAM

In de eerste en tweede van de lagere school kreeg ik les van juffrouw Donselaar. We zongen altijd: “O, juffrouw Donselaar, wat staan je benen raar!” Dat liedje kwam van de fabeltjeskrant en juffrouw Donselaar leek echt op juffrouw Ooievaar. Ze was wel wat dikker dan een ooievaar en ze liep meer als een gans, met haar dikke kont naar achteren en haar kop met snavel van de overbite, naar voren. Juffrouw Donselaar was heel streng, maar wat moest ik vaak lachen om juffrouw Donselaar. Haar stem kwam van hoog boven in haar keel. Net als een gans of een ooievaar, laten we maar zeggen, net als een vrouwelijke vogel, het kan ook een kip zijn, moest ze haar nek uitrekken en haar hoofd naar voren houden om het geluid zo naar buiten te kunnen krijgen. En als ze dan wat zei en het was daarna weer stil, dan echoode dat geluid van die stem na in mijn hoofd. Ik weet niet meer of de rest van de klas dat ook had, maar ik kon dan bijna mijn lachen niet meer inhouden. Wat een mens! Juffrouw Donselaar was gescheiden en had twee grote kinderen. Mijn moeder vertelde dat Rita Donselaar behoorlijk goed de bloemetjes buiten kon zetten en dat ze regelmatig een man aan de haak sloeg. Dat ging mijn voorstellingsvermogen te boven.

In de jaren zeventig kampte het onderwijs met dezelfde problemen als nu. Er was vaak lesuitval en dan moest onze klas opgedeeld worden, de ene helft ging bijvoorbeeld naar juffrouw Leildgeb en de andere helft naar meneer Eygenraam. Ik wilde liever bij juffrouw Leildgeb terecht komen. Daar stonden de tafeltjes niet in rijen, zoals bij ons, maar in groepjes. Je kon dan heel makkelijk bij elkaar in de schriften kijken en de grote meisjes lieten dan trots hun handschrift zien. Wij moesten precies zo schrijven zoals het in de boekjes stond en zij mochten gewoon zelf weten hoe ze schreven!

Wij kregen juffrouw Leildgeb in de derde. Ze was de meest populaire juf van de school. Ze was heel klein, ze moet iets van 1 meter 50 zijn geweest, want ik was in de derde bijna even groot als juffrouw Leildgeb. Ze had hele grote borsten en dan had ze haar ogen opgemaakt, lippen gestift, een mooie krul in haar haar gefohnd en strakke truitjes aan. Ze had vaak een paars truitje aan met een col en een bruine broek. De broek was van nylon met wijde pijpen en ze had hoge blokhakken eronder. Maar zelfs met blokhakken stak ze nog niet boven de grote jongens uit.

Juffrouw Leildgeb had een goede manier gevonden om met het soort kinderen om te gaan dat ze in de klas kreeg. De jongens waren namelijk niet voor de poes. Het waren jongens die “Kankerlijer” naar de juf of meester schreeuwden. Jongens die de sleutel van de gymzaal jatten, waar de hele klas op moest wachten als ze aan de beurt waren met voorlezen. En die iedere pauze vochten.

Wat deed juffrouw Leildgeb? Ze verzorgde haar nagels in de klas, stifte haar lippen, maakte zich op, vertelde over haar verloofde, ging de plantjes verzorgen als wij een werkje moesten doen, liet de jongens saucijzenbroodjes halen als ze daar trek in had, kortom, ze zorgde ervoor dat alle meisjes haar bewonderden en dat de jongens verliefd op haar werden. En als het te druk werd in de klas, floot ze keihard op haar vingers. De jongens probeerden het na te doen, maar juf Leildgeb spande de kroon. Oorverdovend! Ronnie Max, een van de grootste schoffies, bracht vaak kadootjes voor haar mee. Dat was nog een keer een drama omdat hij eerst lippenstift van zijn moeder had gejat om aan de juf te geven en een andere keer zelfs lippenstift uit de winkel had gejat. Meneer Breure, het hoofd van de school was daar achter gekomen en kwam zelfs in de klas om er met ons over te praten.

Als je geluk had, had je juffrouw Leildgeb in de derde en in de vierde, als je pech had kreeg je in de vierde meneer Eygenraam. Onze klas had geluk, we kregen meneer Eygenraam pas in de vijfde. Hele klas door het dolle dat we nog een jaar bij juffrouw Leildgeb mochten blijven. Juffrouw Leildgeb had ons het gevoel gegeven dat we uitverkoren waren, dat zij per hoge uitzondering ook de vierde ging doen, speciaal voor ons.

Eerste, tweede, derde, vierde en toen de vijfde met meneer Eygenraam.

Je wil van de juf of meester houden, je zoekt naar eigenschappen in de juf of meester om je aan vast te klampen, eigenschappen die je vertrouwd zijn, stabiliteit. Dat was bij juf Leildgeb heel makkelijk. Ze was blij met zichzelf, ze lachte veel en ze kon ons aan. Juf Donselaar was ook makkelijk: ze was streng. Maar bij meneer Eygenraam was dat moeilijker. Hij had wel mooie ogen. Mooie grote bruine ogen. Maar die ogen keken zo verdrietig. Hij was lang en slungelig. Je volgt toch de hele dag zo’n lichaam en dat lichaam van meneer Eygenraam, tja, het was wel handig, hij kon makkelijk uit zijn stoel komen en zich naar het bord omkeren, maar het was zo nerveus. Zijn handen trilden en het was alsof ook zijn voeten trilden, hij had van die schoenen aan met een soort rubberen zolen, heel grote schoenen en dan die dunne lange benen…….. Hij leek wel heel oud,want juffen en meesters zijn altijd heel oud, maar dat lichaam was zo springerig, niet stabiel. Ik geloof dat de klas daar onrustig van werd.

Meneer Eygenraam deed vreselijk zijn best. Hij had een zwarte tas met rits waar hij het werk uithaalde, hij had een grijs pak aan, hij sprak heel rustig en zacht en als hij op het bord ging schrijven had hij een prachtig handschrift, maar dan ging hij alles wat hij verteld had letterlijk op het bord schrijven en dat duurde een eeuwigheid! Het hele bord kwam vol te staan en waarom deed hij dat?

Alles ging langzaam in de klas met meneer Eygenraam. En om het draaglijk te maken ga je je dan inleven in de leraar. Waar komt hij vandaan? Waarom kijkt hij zo verdrietig? Is hij helemaal alleen?

Omdat meneer Eygenraam zo nerveus was, had je nooit persoonlijk contact met hem. Ik denk dat ik toch wel van meneer Eygenraam hield. Ik zocht iets in hem om van te houden en ik vond de mooie ogen, de nerveuze slanke handen en het lijden van meneer Eygenraam. Henk Eygenraam heet hij.

Soms dacht ik dat hij bijna ging huilen. Maar toch herinner ik me dat de klas vaak stil was. Alles duurde heel lang, maar we waren een stuk rustiger dan bij juffrouw Leildgeb. Ik weet nog dat we een keer een oefening deden. We moesten allemaal doodstil zijn en op een blaadje schrijven wat we allemaal hoorden. Wat was dat fijn! We hoorden de vogels fluiten, de glazenwassers schreeuwen, het geklepper van een vuilnisbak, een paard, misschien wel van de lorrenboer. Ik weet nog dat ik alles voor me zag, ik zag de vrouwen de was ophangen, ik zag ze de rommel in de vuilnisbak gooien, ik zag de vogels in de bomen, de glazenwassers op hun ladders staan, de lorrenboer met paard en wagen rijden, en ik verlangde ernaar om rond te lopen door die stille straten. Wat zou het fijn zijn om buiten rond te lopen terwijl iedereen op school zit!

Ik was bij meneer Eygenraam altijd de beste met opstellen schrijven. Misschien deed ik mijn best wel voor hem!

Een keer had ik een verhaal geschreven over een reis in de ruimte. Het begon met de astronaut die door zijn microfoontje contact had met de aarde. “Hallo aarde,”zei hij,”bent u daar?” Ik had dat gedaan omdat ik de regels van de aanhalingstekens zo leuk vond. Aanhalingstekens openen, zinnetje, komma, aanhalingstekens sluiten, zegt ze, komma, aanhalingstekens openen, rest van het zinnetje, punt, aanhalingstekens sluiten. Het was net zo leuk als haken of breien: insteken, omslaan, doorhalen, af laten glijden!

Meneer Eygenraam vroeg of ik dat uit een boek had gehaald, dat begin, of ik dat ergens had gelezen, maar nee, ik had het zelf verzonnen. Ik dacht dat dat een belediging was, maar het was natuurlijk een compliment. Dat verhaal van de ruimte ging als volgt verder: die astronauten waren hun best aan het doen om zo ver mogelijk de ruimte in de reizen en toen stootten ze tegen de rand van de ruimte aan.
Ik als alwetende verteller ging dan verder: die rand was de binnenkant van een schoenendoos en onze ruimte was niets anders dan de inhoud van een schoenendoos en twee reuzen waren aan het gooien met die doos. Die reuzen zaten geloof ik weer in een andere schoenendoos, ik weet niet meer hoe ik die oneindigheid heb opgelost, maar goed, het verhaal was prachtig en ik moest het voor de hele klas voorlezen.

ROSBIEF

Toen ik zeven jaar was, dit was in het jaar 1973, moest ik een keer een kilo rosbief halen bij de slager. Ik woonde op de Harstenhoekweg en de winkels waren om de hoek. Ik had al vaker boodschappen gedaan en het begin van de wandeling was altijd een beetje eng. Je moest dan langs het donkere stuk van de harstenhoekweg. Je kwam dan langs grote donkere ramen en ik wist dat er een heks woonde achter een van die ramen. Ik wist alleen niet precies achter welk raam en dat maakte dat dat hele stuk harstenhoekweg eigenlijk alleen rennend afgelegd kon worden. Maar zodra je de hoek om sloeg, scheen de zon in je gezicht en kwam je de drukke wereld in van verkeer, winkels, stadsbussen, en, ja, het klinkt raar, maar dan leek de wereld een beetje op de wereld van oma. Oma woonde namelijk aan de zonnige kant van de Bosschestraat, de straat achter onze straat. Hoe zonnig die oma woonde daar kan ik nog lang over doorvertellen, de rozen in de tuin, de lorrenboer die langskwam, het geklepper van de vuilnisemmers, de ramen die werden gezeemd met ammoniak, de lakens die ik met haar opgooide, om ze netjes op te kunnen vouwen, oma aan de ene kant en ik aan de andere, de la met oma’s sjaaltjes die we op ons hoofd mochten doen.
Ik liep de hoek van het harstenhoekweg om, een meisje van zeven jaar, niet met lange haartjes, maar met kort haar, zodat de mensen vaak dachten dat ik een jongetje was, en ik liep daar met een opdracht.

De opdracht was een kilo rosbief en ik moest naar de slager.
De slager waar ik naar toe ging, was gesloten. Nu had ik de keus: ga ik naar rechts de Stevinstraat in, naar de keurslager, of ga ik naar links, naar de iets duurdere slager. Ik ging naar de keurslager. De keurslager had geen rosbief. Ik was nu al de hele Gentsestraat doorgelopen om voor niets bij de eerste slager aan de deur te duwen en nu was ik ook nog eens voor niets naar rechts gegaan, terwijl ik net zo goed meteen naar links had kunnen lopen. Ik moest nu heel ver. Ik wist dat er een slager was helemaal na het postkantoor, bij het stukje waar al bijna geen winkels meer zijn. Dat was een hele tocht en niet zo’n fijne tocht. De winkels waar ik langsliep waren niet de winkels waar ik vaak kwam. Een beddenwinkel, banketbakker Bergen van Henegouwen, nooit geweest, een winkel waar ze hout verkopen en de groentewinkel waar de jongens van Polderman woonden. Die jongens van Polderman zag ik liever niet. Ze hadden vaak ruzie met andere jongens en ze vochten vaak. Ik was wel verliefd op Robbie Polderman. Volgens mij was ik ook verliefd op de jongens waarmee hij vocht. Is het niet zo dat een meisje van zeven op alle grote jongens uit de buurt verliefd is? Zit zo’n meisje van zeven niet steeds te kijken en op te letten of die grote jongens ergens rondhangen? Je moest altijd opletten in de buurt. Er was altijd de mogelijkheid dat een groepje jongens of meisjes iets naar je ging schreeuwen. Kans dat daar bij de groentenman Robbie Polderman zit te spelen, dus blij als ik er langs ben en er niets is gebeurd. Er was ook zo’n vent bij de houtwinkel die het leuk vond om tegen iedereen aan te kletsen. Maar bij die man had je kans op iets lekkers, dus dat was dan een stuk minder bedreigend. Trouwens, bij de slager waar ik nu naar toeging, kreeg je ook altijd een plakje worst.
Zo liep ik daar, dan weer rondkijkend naar mensen die tegen me zouden kunnen praten en die ik dan zou moeten groeten of die ik misschien zou kunnen ontwijken. Dan weer in volle concentratie de stoeptegels bekijkend, want dat was ook weer zoiets moois van mijn jeugd. Al die stoeptegels en dat er zoveel verschillende stoeptegels waren en dat je ze op een gegeven moment zo goed kent en echt ook van ze houdt op de een of andere manier. Dat je van de stoeptegels in je eigen straatje zo goed weet welke donkergrijze komen in het patroon en hoe je moet lopen om snel en zonder de randjes aan te raken toch die donkergrijze te ontlopen. En dat al je vriendinnnetjes dat ook precies weten.

Zo liep ik daar met de opdracht in mijn hoofd en omdat die opdracht moeilijk was, liep ik daar extra trots. Het zou me lukken: een kilo rosbief. En ik bestelde een kilo rosbief en de slager vroeg of ik dat zeker wist. Moet je niet een ons rosbief hebben? En ik zei dat ik zeker wist dat het een kilo moest zijn. Die vrouw van de slager ging zich er ook mee bemoeien. Of ik wel wist wat een kilo was! Weet je hoe zwaar een zak aardappels weegt, weet je hoeveel een aardappel weegt? Waarom begon die mevrouw over aardappels te praten? Een zak aardappels weegt 5 kilo, zei ze. Ik begreep niet waar die mevrouw naar toe wilde, ik moest een kilo rosbief hebben.
Wat duurde het lang voordat ze klaar waren met die kilo rosbief! Allerlei mensen werden geholpen en ze bleven maar bezig met die rosbief. De weg terug naar huis moest ik rennen, want ik moest bij die slager al zo nodig plassen! En daar kwam ik aan bij mijn moeder met de kilo rosbief en wat kreeg ik: een boze moeder! De slager had de rosbief in plakjes gesneden, als broodbeleg, en mijn moeder wilde gewoon een heel stuk rosbief. En mijn moeder zei: “Waarom let je dan niet op? Hoe kan je denken dat ik zoveel plakjes rosbief nodig heb,” maar ik zei: “Ik heb gewoon gezegd een kilo rosbief….” Het heeft mijn moeder heel veel moeite gekost mij terug te sturen naar die slager en daar gingen ze moeilijk doen! Ze wilden die plakjes rosbief niet ruilen voor een heel stuk rosbief. Ik weer terugrennen naar huis. Rennen terwijl je huilt. Terwijl je niet wil laten zien aan de jongens Polderman dat je huilt. Terwijl je alweer bijna in je broek plast.
Maar wat was ik trots toen ik iets later met mijn moeder bij die slager stond! Dat hij het in zijn hoofd had gehaald om zo’n kind terug te sturen met die plakjes rosbief!
Is dat niet een van de fijnste dingen, een van de fijnste jeugdherinneringen, dat je moeder je verdedigt? Dat je moeder boos op iemand is omdat iemand je onrechtvaardig heeft behandeld? En daar hobbelde ik weer met mijn moeder mee, en hoewel ik wel voelde dat ze geirriteerd was, want ik moest bijna rennen om haar bij te houden, was ik toch blij! Mijn moeder was speciaal voor mij terug naar de slager gegaan! Mijn moeder was wel even boos op mij geweest, maar dat was niets vergeleken met hoe kwaad ze nu was! En zo hobbel je maar door, als meisje van zeven…

ONDERBROEKJE

Toen Floor en Suus klein waren, zaten ze op de Montessori Waalsdorp basisschool. Er liep daar een vrouw rond die erg op mij leek. Net als ik had ze blond haar en donkere wenkbrauwen. Ik zat vaak onder de boom op het speelplein en dan liep zij met haar kinderen aan de hand het gebouw binnen. Ze had meestal een zwarte outfit aan. Een zwarte broek of rok en een zwarte stola.
Zo’n stola is een mooi kledingstuk. Het is in tegenstelling tot alle andere kledingstukken tegelijk slonzig en zwierig. Mocht het zo zijn dat je rondloopt met gaten en vlekken op je kleding, dan is een stola een uitkomst. Je slaat hem om je schouders en als je er verder een beetje leuk uitziet, je haren zijn gekamd en je stinkt niet, dan straalt er zwierigheid en zelfs deftigheid van je af!
Ze zong vaak. Mooie jazz-achtige liedjes, engelstalig. Zo’n vrouw die met zo’n stola op het schoolplein loopt te zingen, is die wel helemaal normaal, denk je al snel. Maar het fijne was dat ze helemaal normaal was. Ik ben een paar keer bij haar thuis geweest. Ze woont op de hoek van de Waalsdorperweg en het zijstraatje tegenover de Vrije School. Een van de mooiste huizen van Den Haag. Je komt binnen in een enorme hal met een trappenhuis dat je zo van beneden naar boven kunt volgen. Met zo’n soort balkon vanaf de eerste etage naar beneden. In die hal, recht tegenover je als je naar binnen komt en dus onder dat balkon heeft ze een enorm aquarium neergezet. Leuk idee, mocht je in de hal binnenkomen en je praat wat en de conversatie stokt, kun je altijd nog naar de vissen kijken. Of over de vissen gaan praten. Ik ben natuurlijk uit bewondering door dat hele huis gaan struinen en ja, het was vol leven en gezelligheid met een hoop katten en veel apparaten: computers, spelcomputers, televisies, geluidsapparatuur voor haar band, want ze zong ook nog eens in een band. Ook veel boeken en tijdschriften en kranten in stapels en ook heel veel voorraad eten en drinken voor de katten en voor de mensen. Veel schoenen en laarzen en skates, veel tassen en jassen, veel asbakken en ook veel dingen op vreemde plaatsen. Schoenen voor de wc-deur, fietsen op de grond in de kamer, potloodtekeningen op de muur.
Het was een mooi huis en onder alle spullen zag je ook een paar prachtige antieken meubelen staan, maar helaas, het stonk naar kattepis.
Op een zaterdagochtend bleef ik een keer na voetbal bij haar kletsen. Dat deed ik nooit, bij niemand, ik was overal altijd maar even, maar deze keer bleef ik. Ze vertelde me over haar leven, wat ze vroeger allemaal gedaan had en hoe ze zich nu voelde. Ik vertelde ook over mezelf, zij was erg geinteresseerd en het voelde fijn om met haar te praten. Ik vond haar heel aardig.
Ik had die ochtend mijn haar opgestoken, ik had mijn haar in een knotje in mijn nek. Dat had ik niet met een elastiekje gedaan, maar met een zwart onderbroekje. Het was een nogal sexy onderbroekje, meer een soort elastische string, een broekje dat ik een poos daarvoor van Inge had gekregen. Zij bestelde soms bikinibroekjes uit Brazilie, dan weet je het wel. Toen ik met haar aan de keukentafel aan het praten was, en een beetje op mijn hoofd kriebelde, merkte ik plots dat mijn haar los was. Ik was het onderbroekje kwijt! Tijdens dat hele fijne gesprek met al die ontboezemingen zat ik te piekeren over dat broekje. Stel dat haar man dat broekje ziet. Dan denken ze dat ik zo’n soort broekje normaal gesproken draag! En wat zullen ze denken: dat ik dat broekje als een lokmiddel heb neergelegd? Dat ik aan ze wil laten weten dat ik onwijs sexy ben?
Het broekje heb ik niet gevonden. Het moet daar in huis zijn achtergebleven.

Daarna ben ik die vrouw steeds uit de weg gegaan. Ik zag dat ze het jammer vond, maar als je eenmaal begint met iemand uit de weg te gaan is er geen weg meer terug. Ik heb nooit meer met haar gesproken. Wel heel graag willen weten wat ze heeft gedacht toen ze dat broekje vond. En dan de onzekerheid, want misschien is ze het broekje nooit tegengekomen! Misschien heeft ze het broekje een keer met alle troep opgeveegd en is het in een keer in de prullebak verdwenen. Misschien heeft haar dochter van 13 het broekje wel gevonden en in het geheim bewaard, misschien wel haar zoontje van 11!

Het vreemde van dit verhaal is dat je zou denken dat het incident met het verloren onderbroekje veel sterker uit zou komen in een omgeving van mensen die alles altijd goed opruimen en die goed zijn in het opmerken van details. Maar toch, het verliezen van het onderbroekje in dit huis, waar het bijna niet opvalt, maakt het alleen maar erger. Dat de mogelijkheid er is dat ik me voor niets druk heb gemaakt en dat ik daardoor een vriendin ben misgelopen.
De vrouw uit het verhaal vertelde me overigens dat ze met een zuivelpromotieteam een tour door Amerika heeft gemaakt. Ze danste. Het zal voor de lezer niet moeilijk zijn zich voor te stellen hoe het kostuumpje eruit zag dat ze daarvoor heeft aangehad. Over haar man zal ik ook iets persoonlijks vertellen. Hij verscheen een keer op de voetbalclub met een scheur in de bilnaad van zijn broek. De andere moeders en vaders riepen dan heel kinderachtig “bilnaad” door de kantine. Hij heeft thuis natuurlijk ontdekt dat hij zo heeft rondgelopen en misschien heeft hij zich erg geschaamd.
Ach, er zijn zoveel overeenkomsten tussen mij en deze arme, lieve, verlegen, maar ook heel intelligente mensen!
(ps. dit laatste zinnetje is voor Rick om gek te worden van ergernis, maar ik kan hem niet wissen! Iedereen moet toch lachen, lijkt mij, om dat zinnetje……)

Boeken

mei 12, 10:14

In deze sectie samenvattingen van boeken over het Caribisch gebied, fictie en non-fictie:

20 juni 2008
Weer over Hermans.
Lees nu “Willem Frederik Hermans en
Gerard Reve Verscheur deze brief! Ik vertel veel te veel! Een briefwisseling”
Een hele slechte titel voor een prachtige briefwisseling tussen Reve en Hermans rond 1955 toen Reve in het Engels ging schrijven en Hermans heel veel vijanden had, ze noemden hem fascist.
De twee zijn van elkaars’ en hun eigen talent bewust, ze weten de waarde van hun werk. Ze zijn erg complimenteus, ook over de brieven die ze van elkaar krijgen. Soms hard en eerlijk, zoals Hermans die het er niet mee eens is dat Reve in het Engels is gaan schrijven, omdat hij niet denkt dat Reve het literaire verfijnde niveau kan halen als hij niet in zijn moedertaal schrijft, maar hij looft hem wel als blijkt dat “the Acrobat” een schitterend gecomponeerd verhaal is. Het schijnt dat de briefwisseling doorgaat tot hun breuk, want ergens is het mis gegaan tussen die twee. Maar daar ben ik nog niet.
Ik heb nu een prachtig stukje proza van Hermans gelezen dat me denken deed aan dat verslag van de reis langs de Koninkrijksdelen in de West, begin jaren 60 met Emmy, zijn vrouw. Het deed me ook denken aan “Nooit meer slapen” waarin hij schrijft over de ervaringen van een groep geologen. Hermans is geoloog, het is zijn vak en door dat vak heeft ie bijzondere ervaringen gehad.
Deze ervaring komt rauw in een brief geschreven uit zijn pen en vind ik tot nu toe het beste stuk uit deze briefwisseling:

Op de Etna heb ik een man ontmoet die daar al 30 jaar woonde. Hij was nu custos van het observatorium op 2941 m hoogte, een zwaar betonnen bastion, nog door Mussolini gebouwd in 1940, van alle gemakken voorzien, dat was tenminste de bedoeling, maar door de oorlog is er niets van gekomen. Alleen die man zit erin, achter muren van 1 meter dik, dubbele stalen ramen die met pantserplaten afgesloten kunnen worden. Ik heb er een nacht geslapen, op een bed van planken, in een verschrikkelijke koude en bovendien met borstkramp door de dunne lucht. ‘s Ochtends om vier uur ben ik naar de uitbarsting gaan kijken: drie kwartier klimmen over sintels en as. Zo gauw de zon op is, begint hij te steken als een medicinale hoogtezon, maar in de schaduw vriest het en ligt hier en daar zelfs nog sneeuw. Gezicht en haren zijn stroef van de rondwaaiende as, aan je handen heb je voortdurend een gevoel of je zojuist de kachel hebt uitgehaald.

Spookachtig is de warme bodem, bijna niet aan te raken met de hand. Er stijgt stoom uit op en door de zwaveligzure dampen loop je voortdurend te kuchen. Aan de ene kant zie je de blauwe zee, aan de andere zijde de veel lagere bergen van Sicilie: bruin geel en groen. Waar je zelf loopt is alles zwart en dood. Bij iedere stap rollen grote brokken naar beneden. Telkens opkijken of er niet boven je toevallig ook iemand loopt onder wiens voetstappen rotsblokken naar beneden vallen.
Maar eenmaal op de rand van de krater gekomen, wordt men bevangen door het gevoel een overwinning te hebben behaald: op het hoogste punt van de wereld te staan en te zien dat het er doods, gruwelijk en gevaarlijk is. In de rokende, lager gelegen nevenkrater klinkt om de twintig seconden een daverende slag alsof er een brug wordt opgeblazen en roodgloeiende rotsblokken vliegen als bloederige stukken vlees de lucht in, komen neer met doffe ploffen en rollen rokend van de helling. Dat gaat zo maar door, helemaal vanzelf en het dient nergens voor. …..
Zo nu en dan blaast de wind kleine warme stukjes in je gezicht. Ik zou hier hele gezelschappen positieve mensen vol oplossingen en geweeklaag over de atoombom naartoe willen slepen en ze willen vragen of ze nog wat te zeggen hadden. Nadat ze deze vraag, zonder twijfel, ontkennend hadden beantwoord, zou ik hen met een vernuftig apparaat in het vuur slingeren om ze er verfrommeld als een verbrande krant weer uit te zien schieten….

Bij die puntjes heb ik het volgende zinnetje weggelaten: Ik ben tot dusver te lui geweest om op te zoeken met hoeveel kilo dynamiet een zo’n ontploffing gelijk staat. Moet zijn AAN hoeveel kilo enz. en verder denk ik denk Hermans dat zinnetje ook had weggelaten als hij er iets van had willen maken, dan had ie er nl. bijgeschreven aan hoeveel kilo enz. het gelijk was….

Verder heb ik nog iets op te merken; Ik las “het Sadistisch Universum” van Hermans, heel lang geleden en hij schreef daar in dat hij het zo onnatuurlijk vind overkomen wanneer een schrijver niet twee dezelfde woorden in een zin wil gebruiken, maar heel duidelijk op zoek is gegaan naar een ander woord met dezelfde betekenis. In dit stukje is daar een goed voorbeeld van te zien, want ik denk dat Hermans in deze tijd (1955) nog dacht dat dat nodig was (in een andere brief schrijft ie ongeveer het volgende: “Ik schrijf zo haastig dat je me maar niet moet kwalijk nemen dat ik steeds dezelfde woorden gebruik”). Dat voorbeeld is het zinnetje waarin hij schrijft “Aan de ene kant zie je de blauwe zee en aan de andere ZIJDE het land” Je moet natuurlijk die tweede keer ook gewoon KANT gebruiken…. “Aan de ene kant zie je de zee, aan de andere kant het land”

(eind mei 2008)
De mevrouw die de tekst hieronder heeft geschreven, heet Femia Cools, zij beheert een mooie site over poezie op de benedenwinden en ze heeft ook een weblog bij de volkskrant. In plaats van een gedicht van haar hier te plaatsen, heb ik een stuk tekst gekopieerd uit de discussie die bij het NRC op de website gehouden wordt. De naam van de discussie is: Kunnen de Antillen zelf hun problemen aan
Onderstaande tekst geeft aan waarom het zo moeilijk is om op de Antillen iets voor elkaar te krijgen. Onrecht bestrijden enzo.

_Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Subsidies via de politiek, bereiken vrijwel nooit de doelgroep, maar wel de vriendjes die tevreden gehouden moeten worden.
Er is daarom besloten om direct aan belanghebbende instanties te schenken. Om een voorbeeld te geven: Er is een vriend die het gebouw verhuurt (voor 60% van de maandelijkse subsidie), er is een hoofd (dat niet echt meewerkt, daarvoor is hij/zij te belangrijk, maar goed is voor 20%), dan zijn er mensen op de werkvloer die samen 15% verdienen (en zich dus niet het vuur uit de sloffen lopen), en 5% van het geld komt terecht bij de doelgroep.
Zo gaat het vaak met geld dat cadeua gegeven wordt.
Economisch gaat het zeer goed hier, met de politiek niet.
Kerk en staat zijn niet gescheiden. De Katholieke kerk speelt hier een schandalig grote rol. De bisschop zit persoonlijk met de politici aan tafel.
Ik mis in de discussie het cultuurverschil. Dat is namelijk van het grootste belang in het verkeer tussen de landen.
In de Antillen lopen afspraken (die liever niet op papier gezet worden) via familie en vrienden.
Directe kritiek kan niet! Zodra je openlijk iets betwijfelt, vraagt of wilt onderzoeken, word je naar bril 3 verwezen. Je kritiek wordt nooit vergeten. Ook al stelt de rechter je in gelijk, je komt niet meer terug op de plaats die je toekomt. (kortom, iedere oplettende ambtenaar wacht zich voor de klokkenluiderpositie)
Voor velen telt: je hebt een baan voor de positie en het geld, niet om de inhoud.
Ben je familie of vriend van iemand met een beetje macht, dan zit je goed.
Nee, de gewone mensen kunnen en zullen niet aan de bel trekken. Zij kunnen het tij niet keren.
De “gewone” mensen weten wel dat de politici niet deugen, maar ze kijken tegen hen op. Ze zien ze als slimme mensen die het voor zichzelf, hun familie en vrienden goed voor elkaar hebben. Men stemt dan ook graag op de politicus die langskomt met beloften: hier en daar een gat in de weg vult (bij jouw huis, die ander gaten doen er niet toe), die een paar lantaarnpalen op jouw stukje straat zet, etc. Dan hoor je er ook een beetje bij, je kunt de politicus “je vriend” noemen.
Dat veel mensen te weinig hebben om van te leven, dat ze lijden onder de “eerst wij dan zij-verdeling” van gelden, maakt geen enkele indruk. Je schaamt om hulp te vragen. Je moet gewoon zorgen dat je erbij hoort.
Die hulp, dat is een belangrijk punt.
Hulp vragen doe je niet. Hulp geven wordt gezien als denigrerend. Iemand die hulp geeft wordt niet gerespecteerd.
Maar er wordt ook neergekeken op wie afhankelijk is. (Sta je aan een loket staat, dan heb jij wat nodig. De persoon achter het loket is heer en meester en laat je dat goed voelen. Je wordt geholpen hoe en wanneer dat de ander uitkomt)
De hulp-ontvanger situatie tussen Nederland en de Antillen, maakt het er niet eenvoudiger op._

11 mei:
Wanda Reisel “Witte Liefde”
Ik las dat dit boekje in 2008 de Anna Bijns prijs heeft gekregen.

Het is een liefdevol verhaal over de liefde. De schrijfster is in Curacao opgegroeid in de jaren vijftig. Haar vader was architect, haar moeder beeldhouwer. Ze wonen in een prachtige villa en gaan naar mondaine feestjes. Zoals het Curacao van eind jaren vijftig beschreven wordt: Waanzinnig; de vrouwen lieten hun cocktailjurkjes uit New York overvliegen, iedereen reed in Amerikaanse wagens met enorme velgen enz. in pastelkleuren.. En er is een muziekclub voor moderne muziek, die Bartok en Schonberg en andere moderne componisten laat horen. Als experiment hebben ze Rites of Spring van Stravinsky aan de lokale bevolking laten horen. En dan filmen. De gesprekken gingen over kunst en zelfs het geroddel was beschaafd. Over roddelen trouwens weet Wanda Reisel iets leuks te schrijven: “de kunst van het roddelen moet als nieuwsgierigheid worden beschouwd, als levenslust, een dagelijkse bloedtransfusie voor een kleine gemeenschap, zodat die vitaal blijft.”

Ik lees nu ook Max Havelaar en die Stern, die de Havelaar-stukjes opschrijft en die vaak zijn commentaar over het schrijven niet voor zich houdt, die schrijft dit:
“… En ge hebt de roman uitgelezen tot ‘waar ze elkaar krijgen’ toe, en ge zegt … geeuwend: – Zó … Zó! ’t Is een boek dat… hm! Och, ze schrijven zo véél tegenwoordig!
Maar weet ge dan niet, ondier, tijger, Europeaan, lezer, weet ge dan niet dat ge daar een uur hebt doorgebracht met bijten op mijn geest als op een tandestoker? Met knagen en kauwen op vlees en been van uw geslacht? Menseneter, daarin stak mijn ziel, mijn ziel die ge hebt vermaald als een gegeten gras! ’t Was mijn hart dat ge daar hebt opgeslikt als een versnapering! …”

Deze woorden gaan erg op voor het verhaal van Wanda Reisel: Zij schrijft het verhaal over de grote liefde van haar moeder; Ze probeert het te doen zonder aanstellerij, zonder een oordeel, ze doet het om haar moeders’ grote liefde te eren. Daarom schreef ik hierboven dat het een liefdevol verhaal over de liefde is. Want als de gebeurtenissen tijdens die verliefdheid van haar moeder beschreven worden, dan zie je die kleine Wanda, als meisje van een jaar of zes, als enig kind, er naar kijken: Zij heeft gezien dat haar moeder een andere man stond te kussen bij het schoolplein van haar school, zij heeft gemerkt dat haar moeder meer ging roken en op de put in de tuin aan het mijmeren zat. En haar vader en moeder zijn bij elkaar gebleven en haar vader is doodgegaan in 1976 en wat heeft haar moeder haar verteld over die jaren in Curacao?

Het verhaal begint grappig (gelukkig maar!) met de moeder die dan nog niet geïntroduceerd is, als lijk. Ze is dood, maar ze kan nog denken en waarnemen. Ze ligt in het mortuarium en wordt weggereden naar de vrieskast. Ze mijmert over dat ze zin heeft in lekker eten en zin in een sigaret en dat het zo fijn is om in de ijskou over vroeger na te denken. Bij dat nadenken over vroeger komt het verhaal van haar verboden liefde in de Curacaose tijd naar boven. “Ik ben zo bang geweest voor die ene liefde die zo groot was dat ik er tijdens mijn leven nooit meer over heb durven denken… Maar nu, nu ik dood ben, kan ik er wel weer eens aan terug gaan denken, hoe die liefde ontstond, naderbij kwam en bezit van me nam.”
Langzaam aan trekt de schrijfster ons het verhaal van Curacao in de jaren vijftig in. Of het echt zo mooi en leuk was op Curacao, ik weet het niet…. Ik heb verder nog nergens gelezen dat het zo was als Wanda Reisel het omschrijft. Ze omschrijft natuurlijk ook een beperkt groepje mensen en dicht ze wel hele mooie eigenschappen toe. Maar de rest van de beschrijvingen: de hitte, de geitjes (kabrieten), de lokale bevolking, dat neemt je mee, je wordt de tropen in gesleurd (ik zit er al, en neem maar van mij aan: zoals zij het beschrijft, zo voelt het hier!)

Het verhaal over die liefde zelf en wat er allemaal gebeurt in het lichaam van de verliefden (de hele tijd zijn er allerlei steken en scheuten van buik naar nek en aanrakingen waarbij als het donker zou zijn, iedereen een sterke rode gloed zou kunnen zien, het gaat maar over gloed en vloeien en hevig trillen en niet verder kunnen lopen van de liefdesgevoelens en dat het áfgekapt moet worden! Dat de verslaving de geliefden in hun greep heeft, enz.) is mooi, maar ja, dat is zo universeel hè…

Maar het mag niet met: “Zó … Zó! ’t Is een boek dat… hm! Och, ze schrijven zo véél tegenwoordig!” afgedaan worden: Het is háár moeder waar het over gaat, er staat ook bij: opgedragen aan mijn moeder Emma Reisel-Muller (1921-2002) en mijn vader Jacques Reisel (1915-1976) en de omslagfoto is een foto door haar vader gemaakt van haar moeder met een spectaculaire cocktailjurk aan waar Bob, de journalist die verliefd op haar is stijl van achterover slaat. Het is erg moeilijk om de aantrekkingskracht tussen twee mensen een beetje mooi op te schrijven. Je voelt het, dat wel, maar dat is vrij makkelijk: ik word van de bouquetreeks ook heel geil… O, dokter! Hij raakte haar aan met zijn mooie slanke vingers en haar tepels werden hard, je kon het zo zien door het verpleegsterspakje, nou, en als ze zich bukte! Dokter Bob kon aan niets anders denken dan aan haar vochtige lippen enz. enz.

Stel je voor dat ik een verhaal schrijf over de verliefdheid van mijn moeder! Mijn moeder is dood en ik weet hoe mooi ze is geweest en ook dat er een heleboel jongens/mannen verliefd op haar waren. Als ze begraven wordt komt er een vreemdeling naar me toe die wil speciale muziek op de begrafenis, hij beweert dat ie de liefde van haar leven is geweest. Mmm, is het geen bedrieger? (Dat zou trouwens een mooi verhaal zijn: Een oude vent die niet genoeg liefde in zijn leven heeft gehad, besluit om n.a.v. rouwadvertenties hele families te gaan ontwrichten door net te doen alsof hij de liefde van het leven van de overledene is geweest, na drie begrafenissen en drie families die hem in hun armen hebben gesloten wordt hij ontmaskerd (door de love-brigade): een soort “wedding crashers” voor bejaarden..)

Terug naar het liefdesverhaal: je wordt meegesleept, en wel zo, dat je denkt: wanneer komt er eens een grap? En dan gelukkig kom je weer terecht in het hoofd van de moeder van Wanda die dood is. Ze ligt opgebaard, te wachten wie er allemaal naar haar komen kijken. En wie komt er ook! Bob! Ja, die ouwe Bob fluistert alsnog lieve woordjes in haar oor! Hij zegt dat ie weet dat zij hem kan horen en nou ja, dat is allemaal wel erg sentimenteel wat je dan hoort fluisteren…. Maar liefdevol en ik neem aan: echt gebeurd. En de steelband die dan uiteindelijk ouderwetse Caribische liedjes gaat spelen, dat zal ook wel echt gebeurd zijn. En Wanda, de dochter, zal de hele tijd gedacht hebben: Mijn moeder hoort dit, mijn moeder heeft dit laatste stukje leven na haar dood, voordat ze de grond in ging, meegemaakt.

Maar nee, lieve mensen, zo gaat het niet in het leven! Haar moeder was dood en heeft er niets van geweten dat Bob op haar begrafenis was en dat er een steelband speelde. De witte liefde is wit gebleven. Hij is niet bezoedeld, hij is onaangetast gebleven. En zo hoort het. En dat die Bob die woordjes in haar oor fluisterde… Moet hij weten… Dat hij als oude man met Wanda heeft gesproken en dat Wanda het verhaal van haar moeders’ liefde in Curacao bevestigd heeft gekregen? Heel mooi voor Wanda. Voor haar moeder en Bob? Ook heel fijn..
Hahahahahaha!

Een dochter kan het leven van haar moeder niet mooier maken dan het is. Ze kan er wel over schrijven en dat heeft Wanda Reisel heel mooi gedaan.

Trouwens, nog even over de Max Havelaar, net als in dat boek, heeft Reisel een vorm moeten vinden om het verhaal te introduceren en af te maken. Daar worstelen veel schrijvers mee, dat is denk ik ook het moeilijkste van schrijven: ze zeggen wel eens dat ze aan een verhaal beginnen en dat het daarna vanzelf gaat, want de romanfiguren gaan met ze aan de haal: “Ja, ik moest dit wel schrijven,” zeggen ze dan, “want de hoofdpersoon ging een eigen leven leiden!” Ik heb daar mijn vraagtekens bij. Is de schrijver niet baas in eigen verhaal? Dokter Bob moest met zijn slanke hand wel haar kont achter strak verpleegsterrokje kneden. O ja, nu begrijp ik het, aha, vandaar! Ja, natuurlijk want jij hebt dat verhaal niet in de hand zeker! Goh en ik maar denken dat jij dat zelf verzonnen had! (Ik zat net trouwens best nog te ploeteren over die hand en die kont en of ie nou moest aaien of knijpen of slaan.. Ik dacht: Weet je wat? Ik laat dokter Bob kneden! Je kan niet knijpen als de stof gespannen staat…)

In ieder geval: Wanda Reisel wist precies wat ze ging vertellen voordat ze aan het boek begon. Ze wilde er geen standaard liefdesverhaal van maken, want dat zou afdoen aan de werkelijkheid. Romeo en Julia is al geschreven, laat ik maar zeggen.
Trouwens, het zijn andere tijden die om nieuwe maatregelen vragen. Zij heeft er voor gekozen om een dode moeder ten tonele te voeren die, hoewel ze dood is, nog kan waarnemen en van wie we de gedachtes lezen. Ze had ook een Sjaalman ten tonele kunnen voeren, maar dat heeft ze niet gedaan.

Het is jammer dat de mensen in deze tijd niet zo gezellig kunnen schrijven zoals in de Max Havelaar. Ik weet nog dat ik als puber van binnen aan het gieren was toen ik las:

“De lezer zal, vóór hij mijn boek heeft uitgelezen, even goed als Verbrugge weten waarom die zaken zo bijzonder moeilijk waren.”

Het is serieus waar dat ik me letterlijk herinner dat ik bij dat zinnetje het boek neerlegde en met een grote grijns het raam uit ging staren…

Ik lag net in bed te denken over wat ik geschreven had en toen kwam het volgende poëzieregeltje in me op: “Als het bij jou waait, wil ik de wind door mijn haren voelen…”
Dit ook weer in verband met Havelaar en dat het jammer is dat een schrijver niet gewoon: ”Waarde lezer, ik moet nu even uitweiden, maar voordat ik dat doe, wil ik even iets vertellen over uitweidingen…” opschrijft. Douwes Dekker gaat vervolgens op een fenomenale manier uitleggen waarom uitweidingen belangrijk zijn, dat je weer gaat gieren hoor, van binnen, en dat het boek echt weer even weggelegd moet worden!

Kortom, ik geniet er van dat als ik een boek lees, waarin de schrijver me meevoert in zijn wereld. Als het bij hem waait, dan moet hij zo uitleggen hoe het waait, dat ik zin heb om die wind in mijn haren te voelen…… Dus als het waait wanneer hij aan zijn bureautje zit te schrijven bedoel ik. Niet de wind door de haren van zijn romanpersonage, maar de wind door de haren van de schrijver! De verteller! Zo las ik als puber en nu na al die jaren eigenlijk van nauwelijks lezen (wat heb ik al die jaren gedaan?) denk ik er nog net zo over…….

28 april: De eeuwige hond, korte verhalen van Frank Martinus Arion, moet ik nog beschrijven…….

21 maart

“Twee keer Marienburg” door Cynthia McLeod

Een later boek van McLeod, verhaal zit weer goed in elkaar, hier weinig fictie, veel feiten over de suikerplantage Marienburg die door de Nederlandse Handelsmaatschappij overgenomen werd en waar contractarbeiders uit Brits Indie en Java te werk werden gesteld. In 1902 brak opstand uit en de koelie’s vermoordden de directeur van de plantage. Er zijn daarna heel veel ongelukken gebeurd en de hoofdpersoon, Jetje, gelooft net als de koelie’s, dat dat de wraak van de doden is, want na die moord hebben politieagenten 16 oproerkraaiers doodgeschoten en begraven in een massagraf. Deze 16 mensen hadden niets met de moord te maken. Weer een verhaal dat verteld moest worden, minder indrukwekkend dan “Hoe duur was de suiker?”, omdat er niet een inkijk gegeven wordt in het leven van de koelie’s, het is een beetje van buiten af.

16 maart

“Hoe duur was de suiker?” door Cynthia McLeod
Meestgelezen Surinaamse boek in Nederland, meestgelezen boek in Suriname. Verscheen in 1987, sloeg in als een bom. Eerste historische roman over de slaventijd in Suriname, heerlijk te lezen…..
Veel bewondering voor mevrouw McLeod, ze was een van de eerste Surinaamse mensen die Nederlands gaf in Suriname, vertelde altijd erg veel over de geschiedenis van Suriname in de klas en de leerlingen zeiden: “Juf, je moet gaan schrijven.” Is ze uiteindelijk gaan doen en van het geld dat “Hoe duur was de suiker?”, haar debuutroman, opleverde, heeft ze een oude boot laten opknappen, waarmee ze reisjes met schoolklassen maakt. Zij vertelt dan over de geschiedenis en de kinderen zien het met eigen ogen. Ook aardrijkskunde en biologie wordt vanaf die boot gegeven. Na Cynthia McLeod is er een jonge generatie schrijvers gekomen die ook de geschiedenis van Suriname behandelt. Eigenlijk is die hele revival over de slaventijd en bv. de onthulling van het slavenmonument in 2002 gekomen door dit boekje. In Nederland wordt er een beetje schamper gedaan over dat slavenmonument. Maar slavernij is iets waar negers moeilijk over praten. En het is heel goed om daar heel veel over te praten. En over te schrijven. Hoeveel boeken heeft de Nederlandse literatuur niet besteed aan de Tweede Wereldoorlog?
Erover lezen en praten en debatteren helpt als een heel volk getraumatiseerd is. Dat is nooit gedaan, en dat helpt Suriname niet. Cynthia McLeod probeert bij jonge mensen belangstelling te kweken voor hun geschiedenis. Dat doet ze met die bootreisjes. Ze heeft ook een docudrama van zo’n reis met een klas gemaakt. Die klas ziet historische plekken en speelt ook de geschiedenis na. Ik weet niet of ik het geduld zou hebben die drie dvd’s te bekijken, maar voor op scholen is het natuurlijk heel goed lesmateriaal.
En ze heeft ook nog een boek geschreven over de meer recente geschiedenis van Suriname (jaren 80). Ook dat boek is goed ontvangen door jonge mensen die niet precies wisten wat er gebeurd is in het land. Dat boek heet “…de revolutie niet begrepen….”. Ze is trouwens de dochter van dr. Johan Ferrier, de laatste gouverneur voor Nederland in Suriname en Suriname’s eerste president.

Hierbij moet ik iets kwijt over boeken.
Mensen hebben altijd een hoge pet op van literatuur. Hoe moeilijker de literatuur, hoe beter. Ik had dat eerst ook. Dan wilde ik lezen over gebeurtenissen en gevoelens op de vierkante centimeter. Van die mensen die bv. de hele tijd bezig zijn met hun schaamte. Of met iets dat ze hebben gedaan en maar niet kunnen vergeten. Schrijvers die niet schrijven voor een publiek, maar voor zichzelf.

Ik ben daar helemaal van terug. Wat is er opwindender dan een boek te lezen zoals “The Kiterunner”, van een man die de wereld wil laten weten hoe het leven in Afghanistan is, die een boodschap heeft en denkt “Ik ga een enorm groot publiek aanspreken, misschien gaat er dan wat veranderen in de hoofden van mensen die verkeerd denken.”
Of om “Dubbelspel” te lezen, waarbij je ook al snel in de gaten krijgt dat het een pamflet is, Frank Martinus Arion is boos, hij wil dat de mensen op Curacao voor zichzelf opkomen, zelf gaan produceren, trots worden. En hij schrijft “Dubbelspel”.
Het mooiste voorbeeld is “Max Havelaar”!!
E.D. Dekker is boos!
Die Douwes Dekker vond het helemaal niet FIJN dat de mensen het zo’n literair meesterwerk vonden, dat was helemaal de bedoeling niet, het ging hem om de BOODSCHAP!
Cynthia McLeod hoort in dit rijtje thuis. Het had vast wat literairder kunnen zijn, maar wat boeit mij dat!

1 maart
Willem Frederik Hermans
“De laatste resten tropisch Nederland”
In juni 1969 maakt Hermans dit boek af. Hij heeft in januari van dat jaar Suriname en de 6 Antilliaanse eilanden afgereisd, samen met zijn vrouw Emmy. 30 mei 1969, is de revolutiedag: de staking die wordt neergeslagen door een paar honderd Nederlandse Mariniers, het neerschieten van Papa Godett….

Hij heeft bij zijn bezoek aan Curacao de eerste “teach-in” bijgewoond en hij omschrijft hoe de discussie verloopt tijdens deze bijeenkomst. De schrijver Rosario had een aantal stellingen op een blaadje geschreven en die gingen vooral over de emancipatie en de gelijke rechten van de zwarten. Een van de mensen die meedeed aan de discussie was Stanley Brown. Uit “De laatste resten tropisch Nederland”:

“Stanley Brown is onderwijzer die door de een als provo gekarakteriseerd wordt en door de ander als anarchist, gaat Rosario’s stellingen het heftigst te lijf. Brown is beroemd als maker van moeilijkheden met de politie en als redacteur van het weekblad “vito” dat grotendeels in het Papiaments wordt volgeschreven. “Spreek toch lekker Papiaments!” zegt ie tegen Rosario. Hij zegt ook “Als Rosario een bundel gedichten uit wil geven, gaat het naar het Cultureel Centrum Curaçao en houdt zijn hand op, waar de blanke Nederlanders dan een paar dubbeltjes ontwikkelingshulp in stoppen.” “Niet waar,” vindt Rosario, “lang niet elke schrijver krijgt subsidie, daarbij wordt gediscrimineerd. Waarom kan Frank Martinus Arion zijn nieuwste bundel niet uitgeven? “Dat komt,” zegt Brown, “omdat Frank Martinus liever met zijn luie reet op een stoel een biertje zit te drinken, in plaats van met zijn gedichtenbundels de huizen langs te gaan om ze te verkopen.” “

Gewoon een omschrijving van wat er gezegd werd op die “teach in”. Waarom heb ik dat citaat gekozen? Om even iets te vertellen over Stanley Brown. Stanley Brown richtte na die staking van mei die politieke partij FOL op, samen met Papa Godett en Amador Nita. Hij is zo’n blanke autochtoon, die zich alles kan permitteren. Stanley Brown kan als enige blanke een zwarte uitschelden. Hij is 1 van hen! De moeder van zijn vader, die dus Brown heet, kwam van Statia trouwens, en de familie Brown is op Statia een belangrijke familie. Stanley Brown is still very much alive, lees zijn website stanleybrownthinktank.org er maar op na.

Het citaat laat ook zien hoe klein de wereld in Curacao is. He, ze hebben het weer eens over Arion! Aha Brown, die de FOL oprichtte! O was Rosario er ook? Zeker ook onze vriend Jules de Palm… Debrot was in 1969 trouwens de Gouverneur van Curacao, Hermans reisde met hem naar de bovenwindse eilanden.

Waar was Boeli? Arion zat niet in de zaal, maar Boeli? Boeli ook niet? Of was Boeli in die tijd niet op de Antillen?

Boeli was wel zeker op de Antillen, hij was “hoofd algemeen juridische zaken”, en 43 jaar oud. Na de opstand van 30 mei bleef hij in zijn hoge bestuursfunctie, zijn deskundigheid maakte hem onvervangbaar, en door zijn onpartijdigheid was hij voor blank en zwart aanvaardbaar. In de krant heeft hij over de opstand geschreven. In 1970 maakte hij in opdracht van de Staten een “Verslag over de toekomstige staatkundige structuur van de Nederlandse Antillen”, ben benieuwd wat hij voor ogen had. In 1972 volgde het rapport: “De Nederlandse Antillen tussen Nederland en Venezuela”. In 1973 (zelfde jaar dat “Dubbelspel” van Arion uitkwam), stonden de Antilliaanse kranten vol over een ‘Geheim Rapport’ dat Van Leeuwen gemaakt zou hebben over de relatie met Venezuela.

Spannend allemaal.
Hermans gaat in op de politiek in zijn nawoord. Hij moet wel! Hij schrijft dit:

“Ik hou niet van de term neo kolonialisme. (………)
Mocht het Koninkrijksstatuut worden opgeheven dan zal dit voor Nederland de bevrijding van een last betekenen en voor Suriname en de Antillen weinig veranderen. Het zijn niet de vroeger koloniale naties die nog altijd de voormalige koloniën uitbuiten, zoals de ontmaskeraars van het neo kolonialisme ons verzekeren, maar internationale ondernemingen. Het zijn grote maatschappijen zonder vaderland, waarvan de ontwikkelingslanden op leven en dood afhankelijk zijn, Suralco of Shell zijn feitelijk niet aan een natie gebonden en daarom zijn ze heel wat machtiger dan een voormalige koloniale mogendheid als Nederland. Dit neemt niet weg, natuurlijk, dat hun winsten wel grotendeels in westerse landen terechtkomen.”

Klopt nu nog meer dan toen, toch?

Hermans heeft in zijn boek, ik denk achteraf omdat de actualiteit hem daartoe dwong, op een rijtje gezet wat “links” (hoewel in 1969 deed je “links” niet tussen aanhalingstekens) bezighield. Hier komt het:

“Kleine bloemlezing uit wat links allemaal op het hart heeft:
a) Links twijfelt aan het nut van de band tussen Nederland en de Antillen. Het mijmert over aansluiting bij Venezuela, of een Antilliaanse federatie.
b) Is de slavernij wel helemaal afgeschaft? De gekleurde lijdt nog altijd aan minderwaardigheidsgevoelens tegenover de blanke. De arbeidersklasse moet meer klassenbewust worden. De houding van Nederland is paternalistisch.
Barrioleaders, mensen die een gewichtige rol spelen in de plaatselijke politiek, hebben te veel macht en zijn corrupt. Ze gebruiken hun politieke machtspositie om familieleden te bevoordelen, enz.
c) De versnippering van de gemeenschap in allerlei groepen en groepjes die elkaar tegenwerken: katholieken tegen niet-katholieke (83% van Curaçao is katholiek, maar de groep ‘blanke protestanten’ is zeer invloedrijk), mensen die met een Nederlander zijn getrouwd en anderen die dat niet zijn, enz.
d) De grote macht van de geestelijkheid (het proletariaat is katholiek)
e) De macht van de rijken en grootgrondbezitters. De buitenlandse maatschappijen als de Shell, die een te groot deel van de winst het land uit brengen. Landhervorming. Shell heeft ongeveer de helft van Curaçao in bezit.
f) Er zou beheersing van bereizen en lonen moeten komen, net als in Nederland.
g) Is Nederlands de geschiktste taal voor de Antillen?
Nee, want voor het overgrote deel van de Antillianen is het niet de taal die ze van hun moederen leren, blijft het dus altijd een vreemde taal, die ze maat gebrekkig leren kennen. En wat meer zegt: het is geen belangrijke taal in het werelddeel waar ze leven. Engels of Spaans zou daarom beter zijn.
Ja maar… Spaans zou de Benedenwinden bevoordelen, Engels de Bovenwinden. Nederlands daarentegen bevoordeelt alle zes Nederlandse Antilliaanse eilanden in gelijke mate, tenminste de heersende kasten aldaar, die van huis uit Nederlands spreken, Hebben de kwade tongen die beweerden dat dat nu juist de bedoeling is, ongelijk?”

Ik denk dat veel mensen er nu nog steeds zo over denken.

Doet je wel twijfelen aan de stappen die nu in 2008 VEERTIG jaar later ondernomen worden…….

Na al deze politiek, om recht te doen aan De laatste resten tropisch Nederland, ook een stukje echte literatuur, want ook daar staat het boekje vol van. Hermans is erg gelukkig in Suriname, dat lees je er aan af. Een Hermans die niet zwartgallig en nors is? Ja! Het is voorgevallen en je leest het in dit boek. Hij zal een hele goede tijd hebben gehad met zijn vrouw, zij was tenslotte een Surinaamse. Zo zag ze er rond 1969 uit. Eronder Hermans, ongeveer ook in die tijd.

Maar nu het citaat:

“Maandag 20 januari
Vroeg uit bed en gaan zwemmen. Het huis ligt op het uiterste van het eiland, dat de rivier in 2en klieft. Ik waag me zonder argwaan in de stroom, wagen is het woord niet, want ik heb niet eens aan de stroom gedacht. Ineens bemerk ik dat ik niet meer terug kan naar het punt waar ik in het water ben gestapt. Ik zwem naar voren, maar het eiland verwijdert zich steeds verder, het gaat nog meer naar voren dan ik. Sterke stroom zeker. Toch zal ik terugmoeten, want alleen waar ik te water gegaan ben, kan ik er ook weer uit komen, alleen daar is de oever laag genoeg. Ik verdubbel mijn slagen, maar kom nog niet vooruit. Wat zou dat. Ik kan hier natuurlijk nog staan en naar de kant lopen. Mis. Staan kan ik wel, maar niet op de plaats waar ik wil en lopen gaat ook niet. De rivierbodem is van keiharde klei, waarop mijn voeten zelfs met gekromde tenen geen houvast kunnen vinden. Zo, zo. Hoe kom ik weer op het droge? Misschien nooit meer. Schitterend einde voor iemands biografie. Op 20 jan 1969 verdronk hij in de Marowijne. Ik herinner me dat een regel van het Surinaamse volklied luidt: Trotse bomen, fiere stromen. Kon erger. Maar mijn worsteling met de riviergodin blijkt niet onopgemerkt te zijn gebleven. Fransi komt er aan in een korjaal en hijst mij aan boord. Gered. De biografie weer dikker. Onder het afdrogen kan ik voelen hoe sip ik kijk. Onze donkere natuurvrienden hebben intussen een papegaai gevangen die met een poot is vastgebonden aan een touw, onderaan de trap naar het balkon. Hij krijst met uitgespreide vleugels als ik naar boven loop, maar misschien is dat alleen omdat hij nog niet praten kan.”

De Marowijne.

25 jan
Frank Martinus Arion
“Stemmen uit Afrika”
Met deze gedichten debuteerde Arion in 1957. (als de scanner weer werkt zet ik er een fotootje bij van hoe hij eruitzag in 1957)
Het is heel mooi en ook aandoenlijk, een zwarte jongen (in 1936 geboren), op zoek naar zijn roots, begiftigd met heel groot taaltalent, jaren vijftig, de liefde voor zijn eigen mensen, de hoop dat het beter met ze zal gaan, dat ze trots op zichzelf zullen worden….. Martin Luther King had nog niets van zich laten horen, black power was geen mainstream, het was proberen, verkennen, voorzichtig en dat klinkt zo:

De negerman, hij strijdt
immer slechts voor wat hij had:
de vrijheid van ‘t gaan,
het kiezen van zijn graf.

hij strijdt en wankelt;
weerloos, hulpeloos omdat
de wapens van de nieuwe
wereld hem zo vreemd zijn.

de lans die hij hanteert – de oude eerlijkheid misschien –
doorsteekt hemzelve, voor hij
anderen een steek heeft toegebracht.

En hij heeft geen legers.
O hij strijdt alleen in
het hete vuur, op de kronkel-
wegen van het lot, en blijft
dus keusloos-nederlaag-gedoemd.

Gerrit Komrij heeft deze uitgekozen voor “Komrij’s Nederlandse Poezie”:

Eens zijn alle negers
tamtammend uitgevaren
uit hun zwart-ompaalde negorijen

hun prauwen schoten
over de rivieren,
dwalend door ‘t woud.

eens, maar eens is ver
en eens is langgeleden.

nu gaan zij als karbouwen.
mak-geslagen, lam.
beroofd van hun tam-tam
en slepen stenen aan
waar anderen bouwen.

12 jan
Dylan van Eijkeren: “Witboi”, 2006
In 1969 heeft WF Hermans een reis gemaakt langs “De laatste resten tropisch Nederland”, hij beschrijft de reis die begint in Suriname en die via Curacao, Aruba, Bonaire, Sint Maarten en Saba eindigt in Sint Eustatius. Hermans, die altijd zo venijnig is, is heel mild over de verre gebiedsdelen. Dit heeft de schrijver van dit reisverslag “Witboi” geprikkeld en dat is een van de redenen dat hij in de voetsporen van Hermans deze reis heeft gemaakt. Hoeveel van Nederland is er te zien in die overzeese gebiedsdelen?
Het is makkelijk te lezen en ik vind de typeringen die hij van de eilanden en Suriname maakt raak en ben het eens met zijn kritiek. Het boekje is nu erg actueel. Ik raad iedereen die op een makkelijke manier heel veel te weten wil komen over Suriname en de Antillen aan dit boekje te lezen. Zijn reis is een reis van ongeveer twee, drie weken geweest, je zou dus kunnen zeggen dat zijn observaties wat oppervlakkig zijn en zijn kritiek wat weinig gefundeerd. Maar dat is niet zo, net als bij ontmoetingen is het bij reizen ook dat de eerste indrukken het beste kloppen en die kritiek: Hij heeft er goed over nagedacht. Er zullen vast mensen zijn die zich aangesproken voelen: Wat zegt hij nou over mijn eiland!, maar ja, de Antillianen en Surinamers lezen dit boek niet. Het is door een Nederlander geschreven, met een Nederlandse kijk en aan het Nederlandse publiek. Ik voelde me wel aangesproken toen hij schreef dat er twee soorten Nederlanders op de Antillen en in Suriname wonen: de zwartgeldmensen: makelaars, tv- presentatoren, binnenhuisarchitecten enz. en de nep geemigreerden die er mager en sjofel uitzien en te dom zijn om echt te emigreren, dan zou je een formulier moeten invullen….
Ze kankeren op Nederland, zijn voor het klimaat en de regeltjes gevlucht, hun leven op zo’n eiland speelt zich geisoleerd van de rest van de samenleving in een klein Nederlands kringetje af, ze geven geen kritiek op hun eiland, ze zullen nooit iets doen voor de gemeenschap waar ze in wonen.
Jammer dat ie geen goede leraar heeft gesproken.
Jammer dat ie niets van Boeli van Leeuwen heeft gelezen.
Titel is trouwens leuk gevonden: hij is zelf een “witte boy” en hij heeft een zakje witboi detergent in Suriname gekocht, witte waspoeder en bij geen enkel vliegveld heeft iemand zich afgevraagd wat hij met dat zakje witte poeder wilde doen.
Gesprek met de schrijver over witboi te horen op:
http://surinaams.caribiana.nl/Cultuur/car20061106_witboi

1 dec
“Mijn Zuster de Negerin” van Cola Debrot (1902-1981)
Grondlegger van de Antilliaanse literatuur.
Cola Debrot, geboren in Kralendijk Bonaire, vader had een plantage, moeder kwam uit Venezuela, in Nederland rechten en medicijnen gestudeerd, werd huisarts in Curacao, later ook politiek ingegaan. (van ’62 tot ’70 gevolm. minister van de Antillen) Na 1970 in Nederland blijven wonen. Had aan het eind van zijn leven last van zware depressies.

“Mijn Zuster de Negerin” (1935) is het debuut van Debrot. Het is een novelle en vertelt het verhaal van een man, wiens vader is gestorven op Curacao. Zijn moeder was al eerder doodgegaan, hij moet naar Curacao om zaken met de notaris af te handelen. Hij komt na 16 jaar vanuit Europa naar het eiland en het verhaal gaat over die eerste avond dat ie aankomt. De notaris nodigt hem uit om bij hem thuis te eten en heeft een kamer gereserveerd in een hotel. De man neemt van dat aanbod geen gebruik, hij wil alleen met de oude Ford van zijn vader naar de plantage. De korte tropenschemering valt……. Het is het mooiste boekje (66 p.) dat ik tot nu toe gelezen heb, de slotzin is: “Droevig werd het leven, maar het werd vol van een zinrijkheid die het elders mist. En dit is het enige dat men de kinderen dezer aarde niet kan ontnemen.”

26 nov
“De Rots der Struikeling” van Boeli van Leeuwen
De schrijver heb ik al eerder besproken.
Deze roman is zijn eerste roman, gepubliceerd in 1959.

De schrijver vertelt het verhaal van Eddy Le Jeune.
Eddy is verdronken in het amazonegebied toen hij op zoek was naar diamanten. De schrijver krijgt een aantal documenten in handen, Eddy had gevraagd om ze na zijn dood aan de schrijver te geven. Aan de hand van die documenten vertelt hij het verhaal van het leven van Eddy le Jeune. Het is direct ook een beetje het verhaal van de schrijver zelf. In Curacao opgegroeid als blanke jongen, naar Nederland gegaan om te studeren en daarna geen grond meer onder zijn voeten kunnen krijgen. Eddy le Jeune voelt zich nergens thuis. Net als in de eerste Adam worden godsdienst, het leven op het eiland en de jeugd besproken. De jeugd van Eddy le Jeune was moeilijk, zijn vader heeft zichzelf doodgedronken, had steeds terugkerende aanvallen van agressiviteit en gekte en daarover wordt een sterke analyse gemaakt. De rol van de moeder van Eddy bijvoorbeeld, die dan op de vader wachtte om hem te kunnen vernederen.
Het verhaal is goed gecomponeerd, het begint met de schrijver, die eigenlijk een soort “pak van Sjaalman” in handen krijgt. Hij luidt daarmee het verhaal heel rustig in. Het verhaal van Eddy Lejeune in de jungle, samen met zijn compagnon op zoek naar de diamantenschat is het mooiste stuk van het verhaal. Omdat het een verhaal vertelt! Die Boeli laat zich vervolgens net als in de eerste Adam gaan, met bespiegelingen over het eilandleven en de godsdienst. Daarna wordt weer verteld over het leven van Eddy Lejeune in Nederland en zijn jeugd in Curacao. Het gefilosofeer en de verhalen wisselen elkaar mooi af.

23 nov
“De morgen loeit weer aan” van Tip Marugg
Tip Marugg is ook een blanke Curacoaenaar, was bevriend met Boeli van Leeuwen, schreef drie boeken en een gedichtenbundel, zijn laatste boek “De morgen loeit weer aan” werd gepubliceerd in 1988 en was genomineerd voor de Ako literatuurprijs. Andere boeken zijn:
1946 – 1951 – Afschuw van licht (gedichten)
1958 – Weekendpelgrimage (roman)
1967 – In de straten van Tepalka (roman)
Zelfde thema’s als bij Boeli: het eilandleven, de geschiedenis, de mensen, de armoede, de hitte, de natuur, seks, jeugd, geloof.

“De morgen loeit weer aan” is het verhaal van een oude man aan het eind van zijn leven. Hij leeft alleen met een paar honden en drinkt whiskey en bier. Het verhaal vertelt over de laatste nacht van deze man. Hij mijmert over zijn jeugd, gebeurtenissen in zijn leven en soms komt een roes of een visioen met beelden van de verrotte wereld. In die visioenen komt de natuur, de smerige kant van de mensheid, het verval, maar ook de verlossing, het verlangen naar de jeugd, naar puurheid tevoorschijn. Hij schrijft beeldend, dwz. hij gebruikt veel beelden, veel omschrijvingen in een soort associerende stijl. Soms komt er een verhaal van vroeger naar boven dat verteld wordt. In die verhalen is de ik-figuur een rustige jongen die stil observeert. De ik-figuur nu, als oude man, heeft het alleen maar over hoe hij zijn whiskey en bier drinkt, hoe hij op zijn stoepje zit en wat hij voelt als hij de whiskey en het bier drinkt. De opbouw van het verhaal is heel goed, bepaalde beelden komen steeds terug, de roesverhalen bouwen zich op, de jeugdherinneringen zijn er mooi tussen geweven. Het hele boekje leest als een gedicht. De zon, de maan, de sterren, de bergen, de rivieren, de zee, de vogels, de insekten, de mensen, de hele natuur wordt gebruikt om het verhaal te vertellen.
Het belangrijkste thema is denk ik de jeugd en hoe mooi het is om onbevangen en nog niet verziekt te kijken naar de dingen om je heen. Waarom de oude man zichzelf uiteindelijk doodschiet, is een beetje een raadsel omdat je niet een oordeel hoort over de verrotte wereld. De man zegt dat ie somber is, de beelden gaan weliswaar diep in op de rotting in de wereld en in de menselijke natuur, maar het lijkt er niet op alsof die beelden hem pijnigen, de man zit vol zelfspot (hoe hij bv. omschrijft hoe hij zich midden in de nacht staat te douchen) en die herinneringen van hem zijn mooi…….. Hij heeft het prima naar zijn zin zou je zeggen………. Waarom zelfmoord?………

“De Eerste Adam” van Boeli van Leeuwen (eerste druk 1966)
Boeli van Leeuwen is een blanke Curacoaenaar, zoon van de voormalige gouverneur. Vanuit Curacao naar Den Haag gegaan, daar het gymnasium gedaan (op het lyceum aan het stokroosplein (nu Segbroek)) Later rechten gestudeerd in Leiden en na rondreizen met gezin in Curacao voor het eilandbestuur gewerkt. Werd op latere leeftijd pro deo advocaat voor de armen…… Hele carriere ook geschreven, bekendste boek is debuut “rots der struikeling”. Op de achterkant van dit boek staat hij afgebeeld als man van een jaar of 45, maar is al 85.

Mooi boek over een priester, Bodin, die naar Curacao gaat en een man, Adam ontmoet. De ontmoeting vindt pas plaats als er nog maar een stuk of 10 bladzijdes te lezen zijn en loopt tragisch af. Voor de ontmoeting gaat het vooral over godsdienst, het leven op Curacao en de voorgeschiedenis en omstandigheden van die Adam (Kleinzoon van man die als kind afgebeult werd in touwfabriek, zoon van radicale socialist en “mulattin”). Een boek met veel hele goede intelligente stukjes die je zou willen overschrijven. Helaas legt de schrijver alle personages (bv. ook de vreemde dr. Luis die bij Adam en zijn familie op het land woont) dezelfde woorden in de mond, ze spreken allemaal dezelfde taal; die van de auteur. Het maakt de personages ongeloofwaardig, wat dat betreft is het niet een goed boek. Maar wat ze meemaken en hoe het daar is op Curacao is wel heel goed beschreven, heel rauw en kort door de bocht.
Het is eigenlijk een filosofisch boek over hoe je als mens tegenover andere mensen zou kunnen staan en hoe je de mensen bekijkt, vandaar de priester (Bodin) die daar veel boeken over geschreven heeft en Adam, die het leven zonder plan leeft maar eigenlijk als een ware priester mensen helpt.
Wat de personages daarover zeggen is op zich wel interessant, alleen, tja, ze hebben het stuk voor stuk juist over Kierkegaard en Dostojevski en Sartre, toch gek bij zulke verschillende mensen. Ze gebruiken zelfs onafhankelijk van elkaar dezelfde beeldspraak………
Vreemd, nooit meegemaakt dat een boek zo geschreven is……..

9 november 2007
St. Eustatius “The treasure island of the Caribbean”
Eric O. Ayisi
(Africa World Press)
Meneer Ayisi is professor aan de Universiteit van Ghana en is voor het “William and Mary Institute” een aantal zomers in St. Eustatius geweest om het eiland te bestuderen. Hij beschrijft de geschiedenis, de sociologie, de politiek, het onderwijs, de economie… Het is niet om doorheen te komen omdat hij steeds in herhaling valt. Het is ook niet wetenschappelijk omdat ik er niet uit kan halen hoe hij dit eiland heeft onderzocht. Hij dist wel mooie theorieen op en probeert die dan in de situatie van St. Eustatius te passen.
Je leert wel wat meer over het eiland, wat hij bijvoorbeeld zegt is dat het onderwijs zich moet richten op de toekomst van het eiland. Niet allemaal een bussiness degree halen, maar leren landbouwen enz. Er is een discrepantie tussen wat de mensen kunnen en doen en wat ze hebben. Het eiland is niet productief, maar alle comfort van de westerse wereld is aanwezig. Er zijn projecten geweest, bijvoorbeeld om de visserij op een hoger plan te brengen, maar die zijn niet gelukt. Wat ook interessant is, is wat hij schrijft over de gezinssituaties. Hier op het eiland is het 1 grote familie. Kinderen worden niet in een kerngezin opgevoed, maar door oma’s, tantes enz. Dat is hoe het in Afrika ook gebeurt. Meisjes krijgen jong kinderen, oma voedt die op en de moeder wordt behandeld als een van de zusjes van het kind. Wat dat precies doet met een kind wordt niet duidelijk gemaakt. Het kind heeft in ieder geval een grote groep mensen om op terug te vallen. Maar het maakt de hechting niet zo groot denk ik en daarmee is er niet een enorm normbesef denk ik, dat schrijft de prof. niet op, maar dat maak ik er van. En dan over de politiek: Op dit eiland is iedereen heel vreedzaam, er is bijna geen sprake van geweld. Maar des te agressief gaat het er aan toe in de verkiezingstijd. Tenminste, hij schrijft dit eind jaren 80. (Ik hoop dat wij nog verkiezingen gaan meemaken hier) Dan wordt alles uit de kast gehaald om de politieke tegenstanders zwart te maken. Politiek is hier een familiegebeuren. Er staan altijd broers, zwagers en vaders op de verkiezingslijsten. Wat wel kwalijk is en als dat nu nog zo is, zou dat echt moeten veranderen: Als een bepaalde partij heeft gewonnen en de meerderheid (van vijf), dus drie zetels heeft, dan moeten de ambtenaren die de wetten uitvoeren ook van de winnende partij zijn. Mensen verliezen dan dus hun banen en nieuwe mensen worden aangenomen. De ambtenaren moeten natuurlijk neutraal zijn en gewoon als experts hun werk kunnen doen.

1 november 2007
Cornelis Goslinga – “De Zwarte Engel”
Antilliaanse verhalen
Minder grappig dan die oude Antilliaanse verhalen (zie onder)
Gaat vooral over Curacao vanaf jaren 1950.
Geeft wel veel inzicht over hoe de mensen op de Antillen met elkaar omgaan. Over de Shell op Curacao, buitenkinderen, liefde, dood, armoede……..

Jules de Palm – “lekker warm, lekker bruin”
Over een Antilliaan die in Nederland verantwoordelijk was voor de beursstudenten die vanaf de Antillen in Nederland gingen studeren. Die jongeren hadden in de plaats waar ze woonden een mentor die met problemen bij die Jules de Palm aankwam.
Veel verhalen over die problemen: Dat die jongeren het gek vinden dat niemand ze groet op straat, dat ze beledigd zijn als ze iets in huis moeten doen (het waren vaak kostgangers), dat ze vaak in hun ogen enorm goed gekleed waren (aubergine- kleurig colbert, gouden sieraden) en hoe die Jules de Palm daar tegen aan keek, met veel spot geschreven, erg lekker leesbaar, beetje van de hak op de tak, anekdotisch.

26 oktober 2007
Non-fictie:
Bij Meneer Lampe hebben we een aantal bijzondere boeken doorgenomen:
Geschiedenis van de bovenwindse eilanden: Prof. Dr. L. Knappert
Historie en oude families van de Nederlandse Antillen; Dr. Ds AJC Krafft (Nijhoff 1951)
Oranje en de zes Caraibische Parelen 1898-1948
In dat boek Geschiedenis van de bovenwindse eilanden viel me dit volgende rijtje op:
In 1699 waren er op dit eiland 399 blanke mensen en 385 slaven
In 1702 102 blanken en 271 slaven
In 1715 524 blanken en 750 slaven
In 1736 530 blanken en 1066 slaven

22 oktober 2007
Frank Martinus Arion – “Dubbelspel”
Het verhaal speelt zich af op een zondagmiddag op Curacao en de handeling is een spelletje domino.
De vier mannen die iedere zondag samen domino spelen onder de tamarindeboom van Boeboe Fiel, hebben ieder hun eigen geschiedenis. Hun vrouwen ook. Het boek is opgedragen aan “vrouwen met moed”. Nora, Solema en Micha zijn de drie vrouwen die in het boek voorkomen.
Nora is de vrouw van Boeboe Fiel, ze gaat met Chamon, een van de andere dominospelers naar bed om zo aan geld te komen. Boeboe Fiel is taxichauffeur en brengt zijn geld te vaak naar de hoeren of naar het gokken. Ze had die ochtend al met de koster van de kerk geslapen en daar een tientje aan verdiend en nu moet ze nog 5 gulden hebben, want schoenen voor haar oudste zoon kosten 15 gulden en die is al twee weken niet naar school geweest omdat hij geen schoenen heeft en volgende week begint de proefwerkweek. Haar zondag gaat over die vijf gulden die ze moet zien bij elkaar te sprokkelen. Boeboe Fiel is de nacht van zaterdag op zondag niet thuisgekomen, hij had beloofd met 60 gulden thuis te komen, maar hij kwam pas ’s ochtends en zonder geld. Wat heeft Boeboe Fiel gedaan? Een feestje gevierd bij Micha, een vrouw uit Santa Domingo die geld verdiend als hoer in het “hoerenkamp”. Haar dochter was die dag jarig en ze wilde een feestje houden. Ze zag Boeboe en koos hem uit. Boeboe kreeg een gratis nacht met een prachtvrouw, maar verloor toch al zijn geld met poker. Een van de andere dominospelers is Manchi, deurwaarder van beroep. Hij woont naast Boeboe en heeft daar een enorme villa in Toscaanse stijl gebouwd. Zijn vrouw Solema is onderwijzeres, heeft in Nederland gestudeerd en staat bekend als een zedige vrouw. Toch is ze een keer vreemdgegaan en Manchi straft haar daar meedogenloos voor. Iedere dag moet ze hem de vijf gulden geven die hij van haar minnaar heeft geeist omdat die minnaar “onrechtmatig gebruik maakte van andermans eigendom”. Solema is verliefd geworden op een andere dominospeler: Janchi. Janchi is vrijgezel, woont in een onafgemaakt huis.
De dominospelers praten veel over politiek. Vandaag in het bijzonder omdat Janchi door Solema is aangestoken met socialistische ideeen. De landsmensen moeten zelf produceren, moeten zich vrijmaken! Boeboe is niet met zijn hoofd bij het spel vandaag. Hij speelt samen met Manchi die er ook niet helemaal bij is omdat hij een plan heeft om een vakantiehuisje aan de kust te bouwen en op te houden met dominospelen. Hij moet leren bridgen!
Het verhaal van Nora die de aandacht van Chamon probeert te trekken vanwege die 5 gulden is het mooist. Uiteindelijk gaat ze de deur uit, haar moeder heeft dat haar geleerd: als je vastzit, als het moeilijk is, ga dan op pad! Ze gaat naar Nora, de buurvrouw, die koffers aan het pakken is omdat ze bij Janchi wil gaan wonen. Nora geeft haar de vijf gulden die ze steeds aan haar man moet geven.
Wanneer Nora teruggaat naar huis om de dominospelers bij staan met rum, krijgt het verhaal surrealistische proporties.
Al met al een geweldig rijk boek, soort Gabriel Garcia Marques sfeer. Enorme schrijverskunst want een simpel spelletje domino is zo spannend als een slagveld van een belangrijke oorlog! Op de Antillen is dit boek verplichte literatuur voor de boekenlijst op de middelbare school.
Het was het debuut van Arion, geschreven in 1973, vorig jaar was hij in Nederland want het boek werd uitgedeeld in de bibliotheken. Hella Haasse heeft er nog een mooi stukje over geschreven, zie http://www.cpnb.nl/nll/2006/

17 oktober 2007
Cornelis Goslinga: “De vrome Smokkelaar”
over de schrijver: Prof. dr. Cornelis Goslinga, historicus en kunsthistoricus, woonde jarenlang op Curacao, waar hij leraar geschiedenis was. Van 1961 to 1975 doceerde hij Caraibische geschiedenis aan diverse universiteiten in de Verenigde Staten. Naast talrijke wetenschappelijke publicaties schreef Goslinga diverse verhalen- en dichtbundels.

“De vrome Smokkelaar” is een bundel verhalen over het leven in de slaventijd op de Nederlandse Antillen in de 18e en 19e eeuw. De verhalen zijn gebaseerd op waargebeurde feiten.
Ze zijn simpel en grappig geschreven, het boekje leest als een trein en omdat het veel verschillende verhaaltjes zijn, met steeds andere hoofdpersonen: bv. gouverneurs, priesters, kooplieden, landeigenaren, slaven, vrije lieden, krijg je een idee over de verhoudingen tussen die mensen en ook over bijgeloof, manieren van met elkaar omgaan, enz. Heel erg leuk om te lezen!

De Televisie

dec 31, 07:43

22/3

Even jaloers maken; HBO miniseries: John Adams. (hoofdrol: Paul Giamatti, waren wij al erge fan van door de film “Sideways”)
Vorige week zondag twee afleveringen achter elkaar, morgen de derde aflevering. Het zal wel niet lang duren voordat BBC het uit gaat zenden en het zal binnenkort wel te downloaden zijn.
Grote avonturenfilm, onwijs goed gespeeld en historisch helemaal tot in de puntjes kloppend, ook de aankleding etc. Het enige, maar dat kunnen Amerikanen niet laten, is dat het weer een beetje sentimenteel over family values enzo is, maar onbelangrijk, kijk even naar dit voorstukje: filmpje John Adams
Dat komt van de site: site John Adams
Meestal kun je in Nederland de filmpjes op zo’n Amerikaanse site niet zien, vandaar het youtube filmpje.

Hier John Adams met Benjamin Franklin

19/1
Kinderen in bed, Miek achter de laptop, Rick languit op de bank televisie kijkend. Zo heb ik het graag ‘s avonds. Eergisteren zat ik een beetje te surfen op het worldwideweb, toen Rick zei: Miek, Miek, kom kijken!
Nina Brink was te gast bij Pauw en Witteman. We keken en we wisten: hier wordt cabaretgeschiedenis geschreven! Gekker dan dit krijg je het maar zelden!

Nina zit daar met een zwart-wit gewoven mantelpakje aan, haar kapsel in de kleur asblond en de slimme donkerbruine prikogen die razendsnel kunnen flitsen: van Pauw, naar Witteman, naar dochterlief…….. Want naast Nina zit dochterlief. Van dochterlief is meer in beeld dan van Nina, ze zit het dichtst bij de camera, aan de rand van de tafel. Je ziet haar mantelpakje: lichtroze met blauwe bies. En je ziet het hondje op haar schoot. Net als Paris Hilton of Christina Aguillera een klein hondje op schoot: Wat internationaal zeg, en dat bij onze eigen Pauw en Witteman!

Nina is het eerst aan de beurt: “Nina, waarom zoek je nu pas de publiciteit, twee jaar na het artikel in de Quote?” (Groot in beeld een foto van de voorkant van die bewuste Quote met Nina in een SM-pakje incl. zweep boven op een dikke manager)
“Nou, in de eerste plaats, dat vind ik helemaal niet leuk dat jullie dat plaatje nu weer laten zien………. en verder: ja, ik was totally shellshocked!, dit is niet een sensatieverhaal, dit is pure karaktermoord!” (Dit allemaal uit te spreken met een vet amerikaans accent, met dikke R)

Dochter Brink is bezig met het opzetten van een restaurantketen. Als Witteman vraagt hoeveel geld daar in gepompt wordt, kijkt dochterlief haar moeder aan met een hele leuke onderling-begrip-geld-poeh! blik van weet-ik-veel,-mam,-weet-jij-het? En mam, met haar snelle bruine oogjes kijkt terug met de wat-denk-jij?-dat-ik-dat-niet-weet? glimoogjesblik…….
Het moeder-dochter begrip is zo groot dat Pauw, die ook niet op zijn achterhoofd is gevallen, denkt: “Nu ga ik eens even roeren in dat meidenpotje”:
“Wie van jullie dames is een hardere zakenvrouw?” Daar zitten ze, in afwachting, Pauw en Witteman, beide het hele gesprek al flink over de tafel heen geleund, zo ver mogelijk naar die dames toegebogen, van binnen allebei de slappe lach, maar van buiten professioneel, als de chirurg die zonder blikken of blozen een ader uit het lichaam van de patient trekt….
En de dames, niet klein te krijgen, flitsten weer een blik van begrip (eersteklas camerawerk) en alsof het afgesproken is, spreekt de dochter eerst: “Mijn moeder is veel gevoeliger voor wat andere mensen van haar denken, daar heb ik niet zo’n last van…..”
En dan Nina vervolgens inkoppend: “Ja, ik ben heel introvert, mensen denken van niet, maar ik ben eigenlijk heel introvert…….”

Na de uitzending doe ik Nina na: “Well, ik was totally shellshocked!” Rick ligt dubbel….. Vreemde sensatie…….
Ik snap nu wat grappige mensen voelen: het is macht. Goh, ik heb macht over Rick: als ik Nina nadoe, gaat ie lachen……

31/12:
Gisteren op PBS voor het eerst Boohbah gezien. Je zag een witte bubbelbel met daarin vaag wat gekleurde figuurtjes. De bubbelbel ging vliegen, hij vloog over de bergen, naar Zuid Amerika en daar zag je drie kinderen springen en lachen en ze riepen steeds Boohbah! en gooiden met die bubbelbel. Uit de bubbelbel kwamen sterretjes en alle kleuren van de regenboog. De bubbelbel ging verder, over de bergen, over de steden, over de zee, naar de Chinese muur. En steeds hoorde je Boohbah, boohbah! De bubbelbel maakte gevaarlijke zweefvluchten over de hele wereld, zo gevaarlijk dat je het gevoel kreeg alsof je in een achtbaan zat. Daar bij de Chinese muur stonden weer drie kindertjes met mooie kleertjes aan te lachen en te springen en ze gingen ook weer spelen met die bubbelbal. De bubbelbal zweefde weer weg en kwam in een witte ruimte terecht. Toen zagen we de bubbelbal van dichtbij, we konden niet zien wat er in zat, maar er was iets geels, iets paars, iets blauws, iets roods en iets groens. De bubbelbel ging open! Hij ging als een bloemblad open en er kwamen vijf soort bloemblaadjes tevoorschijn, die op schommeltjes leken. Allemaal van bubbelbelmateriaal. Die bubbelbellenschommeltjes gingen open en daar waren ze: de Boohbahs! Een Boohbah is een bal en er steekt een kleiner balletje aan de bovenkant uit. Dat kleine balletje ging omhoog en toen zagen we dat er ogen in dat kleine balletje zaten! Hele grote ogen met bijna geen oogwit. (horrorogen) Even zag je die ogen en toen trok dat balletje zich weer terug in die grotere bal. De Poohbah’s ging weer in hun schommeltjes zitten, de schommeltjes gingen weer dicht, ze vormden samen weer de grotere bubbelbel en ze gingen draaien. De sterretjes vonkten ervan af en we gilden: “Boohbah’s niet misselijk worden!” Het was schokkend. Toen zag je die bubbelbel op de grond terecht komen, de Boohbah’s waren weg, er was alleen een vlak op de grond in regenboogkleuren waar opeens een kind op tevoorschijn kwam. Dat kind ging staan dansen. Waar waren die Boohbah’s nou gebleven?
Iets dat heel goed is, kan wel eens enorm schokkend zijn als je het voor het eerst ziet. Dat heb je ook wel eens met muziek.
Wat hoor ik nu? Dit is helemaal nieuw! Dit lijkt nergens op!
Zo zijn de Boohbah’s ook. Je denkt: het is schokkend! Dit kunnen kinderen niet aan, dit is te diep in de fantasiewereld van een kind gaan, zo maak je een kind gek!
Maar na een poosje wende het. Tenminste, Lot begon meteen te gillen van plezier toen ik de Boohbah’s op internet had gevonden.
En daar op internet is het gezellig, onschuldig en educatief. Ik raad alle vaders en moeders aan om met hun kind vanaf 1 tot 6 spelletjes te doen op de Boohbah-site. www.pbskids.org/boohbah

15/12:
Mensen die alles van Rick willen weten, die willen weten wat er in zijn hoofd om gaat, kunnen de series die hij kijkt online bekijken op www.tvland.com


vlnr: i love lucy, leave it to beaver, all in the family, bonanza, gunsmoke, the andy griffith show, green acres

9/12 door Rick:
American Beauty

“When did you become so joyless?”
Televisie is hier geweldig. Zoveel zenders. American Football, Monk, Gunsmoke: allemaal dingen waar ik van hou. En ik heb net weer American Beauty gezien. Voor de derde keer. Wat een meesterwerk. Een film die me niet loslaat. American beauty is wat je noemt een ‘disturbing movie’. Wat maakt ‘m zo briljant?
Niet de plot. Die is vrij eenvoudig. Kevin Spacey speelt Lester Burnham, een uitgebluste recensist, getrouwd met makelaar Carolyn (Anette Bening). Ze leven in een suburb in een mooi huis met hun puberdochter Jane (Thora Birch). Achter de voordeur van hun huis speelt zich de hel af van drie mensen die ongemerkt van elkaar vervreemd zijn. Maar dan wordt Lester verliefd op het vriendinnetje (Angela) van z’n dochter. Hij zegt z’n baan op, chanteert z’n baas, gaat in een hamburger tent werken, begint weed te roken en gewichten te heffen, terwijl hij droomt van Angela: kortom de hele facade van ‘the American Dream’ gaat aan diggelen.
Dat klinkt vrij banaal, zoals ik dat opschrijf, maar toch is het overtuigend. Je voelt met Lester mee. Je ervaart het als een opluchting dat hij de ketens van z’n saaie bestaan van zich afwerpt. Hij wordt een held. Weliswaar een antiheld, maar toch voor mij de meest overtuigende antiheld van de jaren 90.
Het helpt wel dat Kevin Spacey de rol van Lester Burnham vertolkt. Z’n mimiek is geweldig, je kunt moeiteloos invoelen wat hij denkt. Ik vind hem op het moment, arguably, de beste acteur van Hollywood. Niet dat Anette Bening’s vertolking van zijn vrouw Carolyn onderdoet voor die van Spacey. Spel (ook van de ander acteurs), regie, scenario, camera, muziek: alles is even goed aan deze film. De scenes rijgen zich aaneen als parels aan een ketting. Het zijn allemaal korte scenes met uit marmer gebeitelde zinnen, zoals wanneer Spacey een baan in een drive-in hamburgertent heeft aangenomen en hij door de intercom hoort dat z’n vrouw met nieuwe lover in aantocht is. Spacey toont geen greintje jaloezie als het raam omlaaggaat en hij z’n vrouw naast een snelle, aalgladde makelaar ziet zitten. Hij spreekt haar op ironische toon toe. Als zij daar wat van zegt, antwoord hij rustig: “You don’t get to tell me what to do ever again!”
Lester’s nieuwe leefstijl laat vrouw en kind niet onberoerd. Ook zij storten achter hun facade in. De moeder gaat, naast vreemd, ook bijna dagelijks naar de schietbaan. De dochter legt het aan met de voyeuristische buurjongen, die bovendien een geslaagde drugsdealer blijkt te zijn. Het meest triest zijn wel de ouders van deze buurjongen Ricky Fitts (Wes Bentley). De moeder, die al jarenlang onder de terreur van haar man, een ex-marinier (Chris Cooper) lijdt, heeft lang geleden haar verstand verloren en uit zich in spaarzame-huisvrouw-oneliners met een door merg bot gaande verschrikte blik.
Het kan natuurlijk niet goed gaan; daarvoor is de druk van de Amerikaanse droom te sterk. Burnham’s onaangepaste gedrag moet gestopt worden en dat gebeurt ook: hij wordt vermoord door de marinier die denkt dat z’n zoon een homoseksuele relatie met hem heeft. “De hel dat zijn de anderen”, zou Sartre zeggen. Maar voordat het zover is zien we in een van de meest overtuigende scenes hoe Lester, op het punt zich te vergrijpen aan de mooie Angela, zich bedenkt als hij begrijpt dat ze nog maagd is. De (seksuele) spanning vloeit weg. De tijd lijkt stil te staan. Het spel is adembenemd. Hij slaat een handdoek om haar heen. We hebben Angela (debuutrol van Mena Suvari) leren kennen als een oppervlakkig opschepstertje, die tegenover leeftijdgenoten pronkt met haar seksualiteit. Maar door de ogen van Lester maakt ook zij een transformatie door. Wordt sympathiek. Al die karakterontwikkelingen in 1 film en alemaal overtuigend, dat is de prestatie.
American Beauty is een moralistiche film. Het laat ons zien dat ‘the American Dream’ (hard werken en niet zeuren) als decor voor mensen van deze tijd op den duur niet meer voldoet. Dat de helden diegenen zijn die hier uit durven te breken.
“Could you please pass me the fucking asparagus!” is de film in 1 zin samengevat. Zoals: “That rug really ties the room together!” The Big Lebowski in 1 zin samenvat.
Maar waarom spreekt deze film mij zo aan? Ga ook ik door een zgn midlifecrisis? Ik ben inderdaad 44, ik heb vrouw en kinderen. Dus ik behoor wel tot de doelgroep. Zo gek is het niet als ik me identificeer met Lester.
Aan de andere kant. Heb ik niet het avontuur gezocht door naar dit kleine eiland af te reizen?!?
Well, keep yourself sharp, Rick!

25/11
Gisteren Saturday Night Fever op teevee:
Genieten van het mooiste stukje van de film?
Check dit filmpje:
you tube filmpje

23/11
“Lock in those lyrics” is een spelshow waarbij de kandidaat moet uitkiezen welk lied hij wil zingen. Hij zingt mee met de tekst van het nummer en op een gegeven moment staat er geen tekst meer en moet hij de juiste lyrics “invullen”. De band die meespeelt is onwijs goed en de mensen die zingen zijn soms vreselijk, soms heel goed. Het zijn in ieder geval ongeoefende zangers. Ze doen het met heel veel plezier, er is ook een gillend publiek aanwezig. De nummertjes duren steeds minder dan een minuut. Hoe meer liedjes, hoe moeilijker de lyrics, hoe meer geld je kunt verdienen. Ze kunnen ook hun hulptroepen gebruiken, dan is er bijvoorbeeld een vader die zijn dochter mee laat zingen. Het zijn heel gewone mensen die meedoen met hun gewone kleren aan. Je gaat na een paar minuten al van die kandidaten houden. Ze zingen uit volle borst en ook al is het soms vals, ze genieten ervan! Supergoed idee voor een spelshow!!!!!!!
(Jammer alleen dat na ieder liedje de reclames weer beginnen, en wat voor reclames!)

Gisteren (maandag 12/11) bij Bill Maher ging het allemaal over het debat dat de democratische lijsttrekkers hebben gehad. Obama is te soft, Hillary was voor het eerst een heel klein beetje aan het zweten……. en die ander, vergeten hoe hij heet, werd voor gek gezet omdat hij had gezegd dat hij eens een UFO had gezien. Een van de topics die de republikeinen gebruiken in de verkiezingen zijn de illegal immigrants. Een non-topic nu er oorlog bezig is. Steeds gaat het weer over de oorlog in Irak. Er was een gast, JEREMY SCAHILL, die een verontrustend boek heeft geschreven: BLACKWATER, het is de naam van een huurlingenleger, onder leiding van een radicale white christian, ERIC PRINCE.
De huurlingen vechten in Irak en krijgen 12 x zoveel betaald als jongens die in dienst zijn. De haat tussen die twee groepen is erg groot. Die Eric Prince heeft ook zijn eigen intelligence dienst, zijn eigen, heel geavanceerde wapens en het zijn eigenlijk kruisvaarders in de oude zin van het woord. Ze willen veroveren en bekeren, CREEPY!!!!

Na Bill Maher, curb your enthousiasm, ook in Nederland te zien, met Larry David. Te grappig om op schrift weer te geven, maar ik doe het toch. Larry en zijn vrouw zijn uit elkaar en Larry mist haar heel erg. Hij wil dat ze terug komt. Ze heeft een therapeut en hij ook. Als hij vraagt “ga je morgen met me mee naar de bioscoop”, zegt zijn vrouw dat ze het eerst aan haar therapeut moet vragen. De afspraak staat en Larry bespreekt met zijn therapeut hoe hij het aan moet pakken. Hij zegt dat Larry tijdens de film haar hand moet pakken en in haar oor moet fluisteren: “I love you……” Vervolgens moet hij na de film, bij het eten een ultimatum stellen: je hebt tot maandag de tijd om te beslissen of je bij me terug wil, anders….. finished!…… Hij voert het plan uit en zijn vrouw is woedend vanwege dat ultimatum. Larry gaat woedend naar zijn therapeut, neemt hem mee naar zijn vrouw en de therapeut moet van Larry vertellen dat het allemaal zijn plan is geweest. Helaas vertelt de therapeut dat dat handje geven en “I love you” zeggen ook zijn idee was, dus Larry’s vrouw is op haar beurt weer woedend. Larry gaat naar zijn vriend, met de therapeut, en ze bespreken het geval.
Ze hebben een plan: Iemand moet het tasje van de therapeut van Larry’s vrouw op straat afpakken en Larry redt haar vervolgens. De therapeut van zijn vrouw zal inzien wat een geweldige vent Larry is en zal Larry’s vrouw op andere gedachten brengen. Wie gaat dat tasje stelen? De therapeut van Larry. Hij heeft nog wat goed te maken! Het plan lukt, je ziet Larry die het tasje afpakt en de dief wegjaagt en vervolgens aanpapt met de therapeut, maar op de achtergrond zie je dat de Larry’s therapeut opgepakt wordt door de politie. Larry besluit met de therapeut van zijn vrouw een kop koffie te drinken en zijn therapeut wordt intussen naar de gevangenis afgevoerd. De therapeut van zijn vrouw is erg onder de indruk, kijkt vreemd op als blijkt dat ze Larry, de man van een van haar clienten tegenover zich heeft.
Als zijn vrouw bij haar therapeut is geweest, belt Larry haar op. Ze zegt dat haar therapeut heeft gezegd dat ze Larry niet meer moet spreken……. Larry begrijpt er niets van, maar opeens heeft hij het door. De therapeut is op hem gevallen! Wat nu?
Hij gaat met de therapeut van zijn vrouw koffie drinken en vertelt dat hij alzheimer heeft. Net diagnose gekregen. Komt goed uit, want er verschijnt een politieagent aan het tafeltje om Larry te ondervragen over de tasjesdief. Larry kan zich niets herinneren. De therapeut zegt: Je moet terug naar je vrouw. Weer een plan gelukt. pff!
Larry en zijn vrouw gaan naar de kermis, alles is helemaal goed tussen de twee, maar dan gaat de telefoon van zijn vrouw. Het is haar therapeut. Ze heeft de therapeut van Larry net bij zich gehad, hij was helemaal kapot van dat gevangenisbezoek en had een therapeut nodig………..

30 oktober 2007
Realtime with Bill Maher
Praatprogramma op HBO. Bill Maher is een Ier, vrijgezel en inwoner van Californie, heeft een actueel praatprogramma met politici, acteurs, schrijvers als gasten.
Vaste rubriek is New Rules, waarin meestal Bush heel erg voor gek wordt gezet.
Anti-Bush, anti-Islam, pro-Hillary, pro-climate change (vooral nu met die bosbranden in Californie)….
Heel veel goede grappen en Bill Maher neemt geen blad voor de mond. Meegemaakt dat ie een keer iemand uit het publiek aanviel (ik weet niet meer waarom), paar dagen geleden was het erg grappig: een burka modeshow, met grappige woordspelingen zoals (heel flauw): Deze burka is ontworpen door Moslim Dior, een bekeerde Christian…….. En: deze burka is supersexy, je ziet alle curves: Hoofd en schouders…… Deze burka kun je ook krijgen in de kleuren: velvet black, black black en dark black…….

Wij kijken vaak naar Monk, grote hit in Amerika.
Vandaag deed Snoop Dogg de titelsong:
Youtube filmpje

De originele titelsong is veel beter:
Youtube filmpje

20 oktober 2007
THE WAR

Marnix is erg druk bezig met de televisie. In Nederland downloadt hij Amerikaanse series, maar hier kan hij ze live zien. Maar dan nog steeds niet allemaal, dus hij moet weer downloaden om ze bij te houden. Wat ik ervan gezien heb, vind ik “Californication” erg goed, een serie over een schrijver die niet van zijn ex af kan komen. De ex wordt gespeeld door die hele mooie vrouw waar Jim Carrey verliefd op is in de Truman Show. We kijken ook naar “The War”, een documentaireserie over de Tweede Wereldoorlog en dan vooral de Amerikaanse soldaten die vochten in the Pacific. Veel filmbeelden zijn in kleur en gemaakt midden in de gevechten. Je ziet verschrikkelijke beelden van stervende jongens en je hoort commentaar bijvoorbeeld over hoe lang een soldaat het vol kan houden om te vechten. 280 dagen. Langer dan 280 dagen zijn ze zeker dood of doorgedraaid. Je ziet dan ook beelden van jongens die doorgedraaid zijn. Ik kan er niet goed tegen, zo’n jongen die, in kleur, met een soort counselor zit te praten en die zegt: “I cannot take the sight of dead people, I cannot take it no more” Als je dat gezicht zag van die jongen. Natuurlijk komen de Veterans ook aan het woord. Van die verhalen die ze al zo vaak hebben verteld, dat ze het heel goed kunnen vertellen, dat heb je vaker bij veteranen. De leukere verhalen zijn dat. Maar ook moeilijkere verhalen, die gaan opeens veel stroever.

10 oktober 2007
We hebben 32 kanalen, iedereen die op St. Eustatius kabeltv neemt, krijgt deze kanalen, er zitten er ook bij waar je normaal gesproken voor moet betalen. Dat zijn de kwaliteitszenders uit Amerika: HBO, Showtime en Cinemax.
Speciaal voor ons eiland, heeft het kabelbedrijf ook BVN erop gezet, een chinese zender (voor de Chinese ondernemers: supermarkten en restaurants) en een spaanse zender (voor de Colombiaanse werkneemsters, dat zijn aantrekkelijke dames die hier steeds 3 maanden blijven). Marnix heeft op de laptop free guide geupload, dan zie je iedere dag wat er op teevee komt, hij had dat natuurlijk al twee weken terug gedaan, maar ik ben er nu pas achter. Voor de geinteresseerde lezer zet ik hieronder alle kanalen die we ontvangen. Als er iets leuks gebeurt op teevee, dan gaan we dat hier melden.

3 TLC niet goed
4 CNN
5 Discovery Channel
6 niks
7 TBS staatsomroep, veel kinderprogramma’s
8 BVN de nederlandse zender
9 DISNEY CHANNEL
10 ESPN sportkanaal
11 HBO geen reclame, curve your enthousiasm
12 USA wel reclame, ook paytv, zomers goede series, ‘s winters herhalingen
13 religieuze zender
14 cinemax films zonder reclame
15 leeg
16 leeg
17 EWTN religieuze zender
18 CBS veel reclame, goede series
19 NBC veel comedy’s, journey man
20 ABC lost
21 FOX overdag rijdende rechter etc. 24, prison break
22 BET Black Entertainment Television
23 .. oude films, geen reclame
24 spaans kanaal
25 TWC the weather channel
26 Lifetime oude comedy’s
27 cartoon network
28 ESPN2 sport
29 ABC family jeugdprogramma’s, comedy’s
30 scifi alleen science fiction
31 Showtime geen reclames, series en films ongecensureerd
32 3 ABN ? slecht ontvangst
33 Chinese zender
34 CARIB VISION
35 TVLAND oude westerns, i love lucy enz.
36 HGTV home improvement televisie
37 TNT “herhaalkanaal” met veel reclames

Geschiedenis

dec 08, 08:20

Deze sectie is “work in progress”

Dit eiland, Sint Eustatius, is het enige eiland in het Caribische gebied waarvan zeker is dat alle mogelijke archeologische vindplaatsen zijn onderzocht. Er hoeft hier niet meer gegraven te worden.
Er zijn twee gebiedjes waar Indianen hebben gewoond.
Het eerste gebiedje is de Corre Corre baai, een kleine baai aan de Atlantische kust, onder de Quill, waar een mooi koraalrif is om te snorkelen. Daar zijn resten gevonden van twee nederzettingen van pre-keramische indianen. Pre-keramisch noemt men mensen die geen aardewerk maakten. Dit hangt samen met voedsel verzamelen; er werd niet aan landbouw gedaan, deze mensen waren jagers en verzamelaars. Waar deze mensen vandaan kwamen is tot nu toe niet bekend. Wel bekend is dat deze resten ongeveer 4000 jaar oud zijn.
Het andere gebied is Golden Rock, het platte stuk op het midden van het eiland. De Indianen die hier hebben gewoond, waren wel keramisch, bedreven dus landbouw, deze resten zijn van 300 na Christus.

Veel Caribische eilanden zijn door Indianen bewoond geweest, er zijn twee groepen die vanuit de Orinoco-valei (Venezuela) naar de eilanden zijn gevaren (in grote uitgeholde boomstammen, eerst peddelend, later met een zeil). De eerste groep zijn de Arowakken, de tweede de Caribs. De Arowakken schijnen een rustig, vredelievend volk zijn geweest, de Caribs hebben de Arowakken veelal verjaagd.
Andere namen voor Arowakken zijn Taino of Boriquen (op Puerto Rico) Op het eiland Hispaniola (Haiti en de Dominicaanse Republiek) bijvoorbeeld, bestonden 5 Arowaakse koninkrijkjes in de 15e eeuw (toen Columbus langskwam). Schattingen over hoeveel Indianen er waren toen Columbus de eilanden ontdekte verschillen erg. Wat wel bekend is, is dat 70 tot 80 % van de Indianen in 30 jaar uitgeroeid waren.
In zo’n koninkrijk, zoals die op Hispaniola zijn aangetroffen, woonden meer dan 3000 mensen. Aan het hoofd van de gemeenschap stond de Cacique, man of vrouw. Een dorp (yuca yeque) had een groot openbaar plein, waar religieuze ceremonies en sportwedstrijden gehouden werden (ze hadden rubberen ballen en speelden een soort handbal). Om dat plein stonden dan 10 tot 15 grote gebouwen, waar families in woonden. Die gebouwen waren rond, van houten palen en daken van gewoven stro en palmbladeren. Die gebouwen waren ingericht met hangmatten, kinderbedjes, stoelen met gewoven zittingen en verschillende verhogingen om op te eten enz. De Cacique woonde in een rechthoekig gebouw met veranda’s. De gemeenschap was “matrilineair”, als een moeder doodging, gingen de kinderen bij haar zuster wonen. Veel mensen waren polygaam. De Cacique had vaak 30 vrouwen. Er waren naborias (“gewone mensen”) en nitaino’s (adel). De Bohique (priester) speelde een belangrijke rol, was adviseur van de Cacique.
De mensen droegen korte rokjes (man en vrouw) en hun haar in een pony, lang van achteren. Ze eerbiedigden verschillende goden en voorvaderen. De twee belangrijkste goden waren Yucahu (geest van de Cassave en de zee) en Atabey (Zijn moeder: Godin van water en vruchtbaarheid). Ze leefden voornamelijk van landbouw en visserij.

Een kleine Arawak gemeenschap heeft dus op ons eiland gewoond. Niet bekend hoe groot en beschaafd die gemeenschap was en hoe lang ze hier hebben gezeten. Wel resten gevonden van zo’n plein en van die ronde gebouwen. Bekend is ook dat ze ‘s nachts krabben vingen bij het licht van toortsen en dit vlees werd geboekaneerd. Het vlees werd op een grill (bucan) geroosterd. De franse jagers die op Espaniola ook hun vlees zo gingen grillen, vervielen later tot zeeroverij. Zij werden boekaniers genoemd.

Paar woorden die van de Arowakken zijn overgenomen:
barbacoa, hamaca (hammock, hangmat), conoa (kano) tabaco, huracan.

REAGEER [100]

Contact

nov 07, 12:12

emailadres Rick: kustersrick@hotmail.com
emailadres Miek: jansenannemieke@hotmail.com
emailadres Suus: xsoesjex@hotmail.com
emailadres Floor: hiefton@hotmail.com

REAGEER [7836]

-