Deprecated: Function set_magic_quotes_runtime() is deprecated in /var/www/vhosts/kusterseducatie.nl/rickenmiek.nl/textpattern/lib/txplib_db.php on line 14
Into The Wild Wild West: Boeken

Boeken

mei 12, 10:14

In deze sectie samenvattingen van boeken over het Caribisch gebied, fictie en non-fictie:

20 juni 2008
Weer over Hermans.
Lees nu “Willem Frederik Hermans en
Gerard Reve Verscheur deze brief! Ik vertel veel te veel! Een briefwisseling”
Een hele slechte titel voor een prachtige briefwisseling tussen Reve en Hermans rond 1955 toen Reve in het Engels ging schrijven en Hermans heel veel vijanden had, ze noemden hem fascist.
De twee zijn van elkaars’ en hun eigen talent bewust, ze weten de waarde van hun werk. Ze zijn erg complimenteus, ook over de brieven die ze van elkaar krijgen. Soms hard en eerlijk, zoals Hermans die het er niet mee eens is dat Reve in het Engels is gaan schrijven, omdat hij niet denkt dat Reve het literaire verfijnde niveau kan halen als hij niet in zijn moedertaal schrijft, maar hij looft hem wel als blijkt dat “the Acrobat” een schitterend gecomponeerd verhaal is. Het schijnt dat de briefwisseling doorgaat tot hun breuk, want ergens is het mis gegaan tussen die twee. Maar daar ben ik nog niet.
Ik heb nu een prachtig stukje proza van Hermans gelezen dat me denken deed aan dat verslag van de reis langs de Koninkrijksdelen in de West, begin jaren 60 met Emmy, zijn vrouw. Het deed me ook denken aan “Nooit meer slapen” waarin hij schrijft over de ervaringen van een groep geologen. Hermans is geoloog, het is zijn vak en door dat vak heeft ie bijzondere ervaringen gehad.
Deze ervaring komt rauw in een brief geschreven uit zijn pen en vind ik tot nu toe het beste stuk uit deze briefwisseling:

Op de Etna heb ik een man ontmoet die daar al 30 jaar woonde. Hij was nu custos van het observatorium op 2941 m hoogte, een zwaar betonnen bastion, nog door Mussolini gebouwd in 1940, van alle gemakken voorzien, dat was tenminste de bedoeling, maar door de oorlog is er niets van gekomen. Alleen die man zit erin, achter muren van 1 meter dik, dubbele stalen ramen die met pantserplaten afgesloten kunnen worden. Ik heb er een nacht geslapen, op een bed van planken, in een verschrikkelijke koude en bovendien met borstkramp door de dunne lucht. ‘s Ochtends om vier uur ben ik naar de uitbarsting gaan kijken: drie kwartier klimmen over sintels en as. Zo gauw de zon op is, begint hij te steken als een medicinale hoogtezon, maar in de schaduw vriest het en ligt hier en daar zelfs nog sneeuw. Gezicht en haren zijn stroef van de rondwaaiende as, aan je handen heb je voortdurend een gevoel of je zojuist de kachel hebt uitgehaald.

Spookachtig is de warme bodem, bijna niet aan te raken met de hand. Er stijgt stoom uit op en door de zwaveligzure dampen loop je voortdurend te kuchen. Aan de ene kant zie je de blauwe zee, aan de andere zijde de veel lagere bergen van Sicilie: bruin geel en groen. Waar je zelf loopt is alles zwart en dood. Bij iedere stap rollen grote brokken naar beneden. Telkens opkijken of er niet boven je toevallig ook iemand loopt onder wiens voetstappen rotsblokken naar beneden vallen.
Maar eenmaal op de rand van de krater gekomen, wordt men bevangen door het gevoel een overwinning te hebben behaald: op het hoogste punt van de wereld te staan en te zien dat het er doods, gruwelijk en gevaarlijk is. In de rokende, lager gelegen nevenkrater klinkt om de twintig seconden een daverende slag alsof er een brug wordt opgeblazen en roodgloeiende rotsblokken vliegen als bloederige stukken vlees de lucht in, komen neer met doffe ploffen en rollen rokend van de helling. Dat gaat zo maar door, helemaal vanzelf en het dient nergens voor. …..
Zo nu en dan blaast de wind kleine warme stukjes in je gezicht. Ik zou hier hele gezelschappen positieve mensen vol oplossingen en geweeklaag over de atoombom naartoe willen slepen en ze willen vragen of ze nog wat te zeggen hadden. Nadat ze deze vraag, zonder twijfel, ontkennend hadden beantwoord, zou ik hen met een vernuftig apparaat in het vuur slingeren om ze er verfrommeld als een verbrande krant weer uit te zien schieten….

Bij die puntjes heb ik het volgende zinnetje weggelaten: Ik ben tot dusver te lui geweest om op te zoeken met hoeveel kilo dynamiet een zo’n ontploffing gelijk staat. Moet zijn AAN hoeveel kilo enz. en verder denk ik denk Hermans dat zinnetje ook had weggelaten als hij er iets van had willen maken, dan had ie er nl. bijgeschreven aan hoeveel kilo enz. het gelijk was….

Verder heb ik nog iets op te merken; Ik las “het Sadistisch Universum” van Hermans, heel lang geleden en hij schreef daar in dat hij het zo onnatuurlijk vind overkomen wanneer een schrijver niet twee dezelfde woorden in een zin wil gebruiken, maar heel duidelijk op zoek is gegaan naar een ander woord met dezelfde betekenis. In dit stukje is daar een goed voorbeeld van te zien, want ik denk dat Hermans in deze tijd (1955) nog dacht dat dat nodig was (in een andere brief schrijft ie ongeveer het volgende: “Ik schrijf zo haastig dat je me maar niet moet kwalijk nemen dat ik steeds dezelfde woorden gebruik”). Dat voorbeeld is het zinnetje waarin hij schrijft “Aan de ene kant zie je de blauwe zee en aan de andere ZIJDE het land” Je moet natuurlijk die tweede keer ook gewoon KANT gebruiken…. “Aan de ene kant zie je de zee, aan de andere kant het land”

(eind mei 2008)
De mevrouw die de tekst hieronder heeft geschreven, heet Femia Cools, zij beheert een mooie site over poezie op de benedenwinden en ze heeft ook een weblog bij de volkskrant. In plaats van een gedicht van haar hier te plaatsen, heb ik een stuk tekst gekopieerd uit de discussie die bij het NRC op de website gehouden wordt. De naam van de discussie is: Kunnen de Antillen zelf hun problemen aan
Onderstaande tekst geeft aan waarom het zo moeilijk is om op de Antillen iets voor elkaar te krijgen. Onrecht bestrijden enzo.

_Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Subsidies via de politiek, bereiken vrijwel nooit de doelgroep, maar wel de vriendjes die tevreden gehouden moeten worden.
Er is daarom besloten om direct aan belanghebbende instanties te schenken. Om een voorbeeld te geven: Er is een vriend die het gebouw verhuurt (voor 60% van de maandelijkse subsidie), er is een hoofd (dat niet echt meewerkt, daarvoor is hij/zij te belangrijk, maar goed is voor 20%), dan zijn er mensen op de werkvloer die samen 15% verdienen (en zich dus niet het vuur uit de sloffen lopen), en 5% van het geld komt terecht bij de doelgroep.
Zo gaat het vaak met geld dat cadeua gegeven wordt.
Economisch gaat het zeer goed hier, met de politiek niet.
Kerk en staat zijn niet gescheiden. De Katholieke kerk speelt hier een schandalig grote rol. De bisschop zit persoonlijk met de politici aan tafel.
Ik mis in de discussie het cultuurverschil. Dat is namelijk van het grootste belang in het verkeer tussen de landen.
In de Antillen lopen afspraken (die liever niet op papier gezet worden) via familie en vrienden.
Directe kritiek kan niet! Zodra je openlijk iets betwijfelt, vraagt of wilt onderzoeken, word je naar bril 3 verwezen. Je kritiek wordt nooit vergeten. Ook al stelt de rechter je in gelijk, je komt niet meer terug op de plaats die je toekomt. (kortom, iedere oplettende ambtenaar wacht zich voor de klokkenluiderpositie)
Voor velen telt: je hebt een baan voor de positie en het geld, niet om de inhoud.
Ben je familie of vriend van iemand met een beetje macht, dan zit je goed.
Nee, de gewone mensen kunnen en zullen niet aan de bel trekken. Zij kunnen het tij niet keren.
De “gewone” mensen weten wel dat de politici niet deugen, maar ze kijken tegen hen op. Ze zien ze als slimme mensen die het voor zichzelf, hun familie en vrienden goed voor elkaar hebben. Men stemt dan ook graag op de politicus die langskomt met beloften: hier en daar een gat in de weg vult (bij jouw huis, die ander gaten doen er niet toe), die een paar lantaarnpalen op jouw stukje straat zet, etc. Dan hoor je er ook een beetje bij, je kunt de politicus “je vriend” noemen.
Dat veel mensen te weinig hebben om van te leven, dat ze lijden onder de “eerst wij dan zij-verdeling” van gelden, maakt geen enkele indruk. Je schaamt om hulp te vragen. Je moet gewoon zorgen dat je erbij hoort.
Die hulp, dat is een belangrijk punt.
Hulp vragen doe je niet. Hulp geven wordt gezien als denigrerend. Iemand die hulp geeft wordt niet gerespecteerd.
Maar er wordt ook neergekeken op wie afhankelijk is. (Sta je aan een loket staat, dan heb jij wat nodig. De persoon achter het loket is heer en meester en laat je dat goed voelen. Je wordt geholpen hoe en wanneer dat de ander uitkomt)
De hulp-ontvanger situatie tussen Nederland en de Antillen, maakt het er niet eenvoudiger op._

11 mei:
Wanda Reisel “Witte Liefde”
Ik las dat dit boekje in 2008 de Anna Bijns prijs heeft gekregen.

Het is een liefdevol verhaal over de liefde. De schrijfster is in Curacao opgegroeid in de jaren vijftig. Haar vader was architect, haar moeder beeldhouwer. Ze wonen in een prachtige villa en gaan naar mondaine feestjes. Zoals het Curacao van eind jaren vijftig beschreven wordt: Waanzinnig; de vrouwen lieten hun cocktailjurkjes uit New York overvliegen, iedereen reed in Amerikaanse wagens met enorme velgen enz. in pastelkleuren.. En er is een muziekclub voor moderne muziek, die Bartok en Schonberg en andere moderne componisten laat horen. Als experiment hebben ze Rites of Spring van Stravinsky aan de lokale bevolking laten horen. En dan filmen. De gesprekken gingen over kunst en zelfs het geroddel was beschaafd. Over roddelen trouwens weet Wanda Reisel iets leuks te schrijven: “de kunst van het roddelen moet als nieuwsgierigheid worden beschouwd, als levenslust, een dagelijkse bloedtransfusie voor een kleine gemeenschap, zodat die vitaal blijft.”

Ik lees nu ook Max Havelaar en die Stern, die de Havelaar-stukjes opschrijft en die vaak zijn commentaar over het schrijven niet voor zich houdt, die schrijft dit:
“… En ge hebt de roman uitgelezen tot ‘waar ze elkaar krijgen’ toe, en ge zegt … geeuwend: – Zó … Zó! ’t Is een boek dat… hm! Och, ze schrijven zo véél tegenwoordig!
Maar weet ge dan niet, ondier, tijger, Europeaan, lezer, weet ge dan niet dat ge daar een uur hebt doorgebracht met bijten op mijn geest als op een tandestoker? Met knagen en kauwen op vlees en been van uw geslacht? Menseneter, daarin stak mijn ziel, mijn ziel die ge hebt vermaald als een gegeten gras! ’t Was mijn hart dat ge daar hebt opgeslikt als een versnapering! …”

Deze woorden gaan erg op voor het verhaal van Wanda Reisel: Zij schrijft het verhaal over de grote liefde van haar moeder; Ze probeert het te doen zonder aanstellerij, zonder een oordeel, ze doet het om haar moeders’ grote liefde te eren. Daarom schreef ik hierboven dat het een liefdevol verhaal over de liefde is. Want als de gebeurtenissen tijdens die verliefdheid van haar moeder beschreven worden, dan zie je die kleine Wanda, als meisje van een jaar of zes, als enig kind, er naar kijken: Zij heeft gezien dat haar moeder een andere man stond te kussen bij het schoolplein van haar school, zij heeft gemerkt dat haar moeder meer ging roken en op de put in de tuin aan het mijmeren zat. En haar vader en moeder zijn bij elkaar gebleven en haar vader is doodgegaan in 1976 en wat heeft haar moeder haar verteld over die jaren in Curacao?

Het verhaal begint grappig (gelukkig maar!) met de moeder die dan nog niet geïntroduceerd is, als lijk. Ze is dood, maar ze kan nog denken en waarnemen. Ze ligt in het mortuarium en wordt weggereden naar de vrieskast. Ze mijmert over dat ze zin heeft in lekker eten en zin in een sigaret en dat het zo fijn is om in de ijskou over vroeger na te denken. Bij dat nadenken over vroeger komt het verhaal van haar verboden liefde in de Curacaose tijd naar boven. “Ik ben zo bang geweest voor die ene liefde die zo groot was dat ik er tijdens mijn leven nooit meer over heb durven denken… Maar nu, nu ik dood ben, kan ik er wel weer eens aan terug gaan denken, hoe die liefde ontstond, naderbij kwam en bezit van me nam.”
Langzaam aan trekt de schrijfster ons het verhaal van Curacao in de jaren vijftig in. Of het echt zo mooi en leuk was op Curacao, ik weet het niet…. Ik heb verder nog nergens gelezen dat het zo was als Wanda Reisel het omschrijft. Ze omschrijft natuurlijk ook een beperkt groepje mensen en dicht ze wel hele mooie eigenschappen toe. Maar de rest van de beschrijvingen: de hitte, de geitjes (kabrieten), de lokale bevolking, dat neemt je mee, je wordt de tropen in gesleurd (ik zit er al, en neem maar van mij aan: zoals zij het beschrijft, zo voelt het hier!)

Het verhaal over die liefde zelf en wat er allemaal gebeurt in het lichaam van de verliefden (de hele tijd zijn er allerlei steken en scheuten van buik naar nek en aanrakingen waarbij als het donker zou zijn, iedereen een sterke rode gloed zou kunnen zien, het gaat maar over gloed en vloeien en hevig trillen en niet verder kunnen lopen van de liefdesgevoelens en dat het áfgekapt moet worden! Dat de verslaving de geliefden in hun greep heeft, enz.) is mooi, maar ja, dat is zo universeel hè…

Maar het mag niet met: “Zó … Zó! ’t Is een boek dat… hm! Och, ze schrijven zo véél tegenwoordig!” afgedaan worden: Het is háár moeder waar het over gaat, er staat ook bij: opgedragen aan mijn moeder Emma Reisel-Muller (1921-2002) en mijn vader Jacques Reisel (1915-1976) en de omslagfoto is een foto door haar vader gemaakt van haar moeder met een spectaculaire cocktailjurk aan waar Bob, de journalist die verliefd op haar is stijl van achterover slaat. Het is erg moeilijk om de aantrekkingskracht tussen twee mensen een beetje mooi op te schrijven. Je voelt het, dat wel, maar dat is vrij makkelijk: ik word van de bouquetreeks ook heel geil… O, dokter! Hij raakte haar aan met zijn mooie slanke vingers en haar tepels werden hard, je kon het zo zien door het verpleegsterspakje, nou, en als ze zich bukte! Dokter Bob kon aan niets anders denken dan aan haar vochtige lippen enz. enz.

Stel je voor dat ik een verhaal schrijf over de verliefdheid van mijn moeder! Mijn moeder is dood en ik weet hoe mooi ze is geweest en ook dat er een heleboel jongens/mannen verliefd op haar waren. Als ze begraven wordt komt er een vreemdeling naar me toe die wil speciale muziek op de begrafenis, hij beweert dat ie de liefde van haar leven is geweest. Mmm, is het geen bedrieger? (Dat zou trouwens een mooi verhaal zijn: Een oude vent die niet genoeg liefde in zijn leven heeft gehad, besluit om n.a.v. rouwadvertenties hele families te gaan ontwrichten door net te doen alsof hij de liefde van het leven van de overledene is geweest, na drie begrafenissen en drie families die hem in hun armen hebben gesloten wordt hij ontmaskerd (door de love-brigade): een soort “wedding crashers” voor bejaarden..)

Terug naar het liefdesverhaal: je wordt meegesleept, en wel zo, dat je denkt: wanneer komt er eens een grap? En dan gelukkig kom je weer terecht in het hoofd van de moeder van Wanda die dood is. Ze ligt opgebaard, te wachten wie er allemaal naar haar komen kijken. En wie komt er ook! Bob! Ja, die ouwe Bob fluistert alsnog lieve woordjes in haar oor! Hij zegt dat ie weet dat zij hem kan horen en nou ja, dat is allemaal wel erg sentimenteel wat je dan hoort fluisteren…. Maar liefdevol en ik neem aan: echt gebeurd. En de steelband die dan uiteindelijk ouderwetse Caribische liedjes gaat spelen, dat zal ook wel echt gebeurd zijn. En Wanda, de dochter, zal de hele tijd gedacht hebben: Mijn moeder hoort dit, mijn moeder heeft dit laatste stukje leven na haar dood, voordat ze de grond in ging, meegemaakt.

Maar nee, lieve mensen, zo gaat het niet in het leven! Haar moeder was dood en heeft er niets van geweten dat Bob op haar begrafenis was en dat er een steelband speelde. De witte liefde is wit gebleven. Hij is niet bezoedeld, hij is onaangetast gebleven. En zo hoort het. En dat die Bob die woordjes in haar oor fluisterde… Moet hij weten… Dat hij als oude man met Wanda heeft gesproken en dat Wanda het verhaal van haar moeders’ liefde in Curacao bevestigd heeft gekregen? Heel mooi voor Wanda. Voor haar moeder en Bob? Ook heel fijn..
Hahahahahaha!

Een dochter kan het leven van haar moeder niet mooier maken dan het is. Ze kan er wel over schrijven en dat heeft Wanda Reisel heel mooi gedaan.

Trouwens, nog even over de Max Havelaar, net als in dat boek, heeft Reisel een vorm moeten vinden om het verhaal te introduceren en af te maken. Daar worstelen veel schrijvers mee, dat is denk ik ook het moeilijkste van schrijven: ze zeggen wel eens dat ze aan een verhaal beginnen en dat het daarna vanzelf gaat, want de romanfiguren gaan met ze aan de haal: “Ja, ik moest dit wel schrijven,” zeggen ze dan, “want de hoofdpersoon ging een eigen leven leiden!” Ik heb daar mijn vraagtekens bij. Is de schrijver niet baas in eigen verhaal? Dokter Bob moest met zijn slanke hand wel haar kont achter strak verpleegsterrokje kneden. O ja, nu begrijp ik het, aha, vandaar! Ja, natuurlijk want jij hebt dat verhaal niet in de hand zeker! Goh en ik maar denken dat jij dat zelf verzonnen had! (Ik zat net trouwens best nog te ploeteren over die hand en die kont en of ie nou moest aaien of knijpen of slaan.. Ik dacht: Weet je wat? Ik laat dokter Bob kneden! Je kan niet knijpen als de stof gespannen staat…)

In ieder geval: Wanda Reisel wist precies wat ze ging vertellen voordat ze aan het boek begon. Ze wilde er geen standaard liefdesverhaal van maken, want dat zou afdoen aan de werkelijkheid. Romeo en Julia is al geschreven, laat ik maar zeggen.
Trouwens, het zijn andere tijden die om nieuwe maatregelen vragen. Zij heeft er voor gekozen om een dode moeder ten tonele te voeren die, hoewel ze dood is, nog kan waarnemen en van wie we de gedachtes lezen. Ze had ook een Sjaalman ten tonele kunnen voeren, maar dat heeft ze niet gedaan.

Het is jammer dat de mensen in deze tijd niet zo gezellig kunnen schrijven zoals in de Max Havelaar. Ik weet nog dat ik als puber van binnen aan het gieren was toen ik las:

“De lezer zal, vóór hij mijn boek heeft uitgelezen, even goed als Verbrugge weten waarom die zaken zo bijzonder moeilijk waren.”

Het is serieus waar dat ik me letterlijk herinner dat ik bij dat zinnetje het boek neerlegde en met een grote grijns het raam uit ging staren…

Ik lag net in bed te denken over wat ik geschreven had en toen kwam het volgende poëzieregeltje in me op: “Als het bij jou waait, wil ik de wind door mijn haren voelen…”
Dit ook weer in verband met Havelaar en dat het jammer is dat een schrijver niet gewoon: ”Waarde lezer, ik moet nu even uitweiden, maar voordat ik dat doe, wil ik even iets vertellen over uitweidingen…” opschrijft. Douwes Dekker gaat vervolgens op een fenomenale manier uitleggen waarom uitweidingen belangrijk zijn, dat je weer gaat gieren hoor, van binnen, en dat het boek echt weer even weggelegd moet worden!

Kortom, ik geniet er van dat als ik een boek lees, waarin de schrijver me meevoert in zijn wereld. Als het bij hem waait, dan moet hij zo uitleggen hoe het waait, dat ik zin heb om die wind in mijn haren te voelen…… Dus als het waait wanneer hij aan zijn bureautje zit te schrijven bedoel ik. Niet de wind door de haren van zijn romanpersonage, maar de wind door de haren van de schrijver! De verteller! Zo las ik als puber en nu na al die jaren eigenlijk van nauwelijks lezen (wat heb ik al die jaren gedaan?) denk ik er nog net zo over…….

28 april: De eeuwige hond, korte verhalen van Frank Martinus Arion, moet ik nog beschrijven…….

21 maart

“Twee keer Marienburg” door Cynthia McLeod

Een later boek van McLeod, verhaal zit weer goed in elkaar, hier weinig fictie, veel feiten over de suikerplantage Marienburg die door de Nederlandse Handelsmaatschappij overgenomen werd en waar contractarbeiders uit Brits Indie en Java te werk werden gesteld. In 1902 brak opstand uit en de koelie’s vermoordden de directeur van de plantage. Er zijn daarna heel veel ongelukken gebeurd en de hoofdpersoon, Jetje, gelooft net als de koelie’s, dat dat de wraak van de doden is, want na die moord hebben politieagenten 16 oproerkraaiers doodgeschoten en begraven in een massagraf. Deze 16 mensen hadden niets met de moord te maken. Weer een verhaal dat verteld moest worden, minder indrukwekkend dan “Hoe duur was de suiker?”, omdat er niet een inkijk gegeven wordt in het leven van de koelie’s, het is een beetje van buiten af.

16 maart

“Hoe duur was de suiker?” door Cynthia McLeod
Meestgelezen Surinaamse boek in Nederland, meestgelezen boek in Suriname. Verscheen in 1987, sloeg in als een bom. Eerste historische roman over de slaventijd in Suriname, heerlijk te lezen…..
Veel bewondering voor mevrouw McLeod, ze was een van de eerste Surinaamse mensen die Nederlands gaf in Suriname, vertelde altijd erg veel over de geschiedenis van Suriname in de klas en de leerlingen zeiden: “Juf, je moet gaan schrijven.” Is ze uiteindelijk gaan doen en van het geld dat “Hoe duur was de suiker?”, haar debuutroman, opleverde, heeft ze een oude boot laten opknappen, waarmee ze reisjes met schoolklassen maakt. Zij vertelt dan over de geschiedenis en de kinderen zien het met eigen ogen. Ook aardrijkskunde en biologie wordt vanaf die boot gegeven. Na Cynthia McLeod is er een jonge generatie schrijvers gekomen die ook de geschiedenis van Suriname behandelt. Eigenlijk is die hele revival over de slaventijd en bv. de onthulling van het slavenmonument in 2002 gekomen door dit boekje. In Nederland wordt er een beetje schamper gedaan over dat slavenmonument. Maar slavernij is iets waar negers moeilijk over praten. En het is heel goed om daar heel veel over te praten. En over te schrijven. Hoeveel boeken heeft de Nederlandse literatuur niet besteed aan de Tweede Wereldoorlog?
Erover lezen en praten en debatteren helpt als een heel volk getraumatiseerd is. Dat is nooit gedaan, en dat helpt Suriname niet. Cynthia McLeod probeert bij jonge mensen belangstelling te kweken voor hun geschiedenis. Dat doet ze met die bootreisjes. Ze heeft ook een docudrama van zo’n reis met een klas gemaakt. Die klas ziet historische plekken en speelt ook de geschiedenis na. Ik weet niet of ik het geduld zou hebben die drie dvd’s te bekijken, maar voor op scholen is het natuurlijk heel goed lesmateriaal.
En ze heeft ook nog een boek geschreven over de meer recente geschiedenis van Suriname (jaren 80). Ook dat boek is goed ontvangen door jonge mensen die niet precies wisten wat er gebeurd is in het land. Dat boek heet “…de revolutie niet begrepen….”. Ze is trouwens de dochter van dr. Johan Ferrier, de laatste gouverneur voor Nederland in Suriname en Suriname’s eerste president.

Hierbij moet ik iets kwijt over boeken.
Mensen hebben altijd een hoge pet op van literatuur. Hoe moeilijker de literatuur, hoe beter. Ik had dat eerst ook. Dan wilde ik lezen over gebeurtenissen en gevoelens op de vierkante centimeter. Van die mensen die bv. de hele tijd bezig zijn met hun schaamte. Of met iets dat ze hebben gedaan en maar niet kunnen vergeten. Schrijvers die niet schrijven voor een publiek, maar voor zichzelf.

Ik ben daar helemaal van terug. Wat is er opwindender dan een boek te lezen zoals “The Kiterunner”, van een man die de wereld wil laten weten hoe het leven in Afghanistan is, die een boodschap heeft en denkt “Ik ga een enorm groot publiek aanspreken, misschien gaat er dan wat veranderen in de hoofden van mensen die verkeerd denken.”
Of om “Dubbelspel” te lezen, waarbij je ook al snel in de gaten krijgt dat het een pamflet is, Frank Martinus Arion is boos, hij wil dat de mensen op Curacao voor zichzelf opkomen, zelf gaan produceren, trots worden. En hij schrijft “Dubbelspel”.
Het mooiste voorbeeld is “Max Havelaar”!!
E.D. Dekker is boos!
Die Douwes Dekker vond het helemaal niet FIJN dat de mensen het zo’n literair meesterwerk vonden, dat was helemaal de bedoeling niet, het ging hem om de BOODSCHAP!
Cynthia McLeod hoort in dit rijtje thuis. Het had vast wat literairder kunnen zijn, maar wat boeit mij dat!

1 maart
Willem Frederik Hermans
“De laatste resten tropisch Nederland”
In juni 1969 maakt Hermans dit boek af. Hij heeft in januari van dat jaar Suriname en de 6 Antilliaanse eilanden afgereisd, samen met zijn vrouw Emmy. 30 mei 1969, is de revolutiedag: de staking die wordt neergeslagen door een paar honderd Nederlandse Mariniers, het neerschieten van Papa Godett….

Hij heeft bij zijn bezoek aan Curacao de eerste “teach-in” bijgewoond en hij omschrijft hoe de discussie verloopt tijdens deze bijeenkomst. De schrijver Rosario had een aantal stellingen op een blaadje geschreven en die gingen vooral over de emancipatie en de gelijke rechten van de zwarten. Een van de mensen die meedeed aan de discussie was Stanley Brown. Uit “De laatste resten tropisch Nederland”:

“Stanley Brown is onderwijzer die door de een als provo gekarakteriseerd wordt en door de ander als anarchist, gaat Rosario’s stellingen het heftigst te lijf. Brown is beroemd als maker van moeilijkheden met de politie en als redacteur van het weekblad “vito” dat grotendeels in het Papiaments wordt volgeschreven. “Spreek toch lekker Papiaments!” zegt ie tegen Rosario. Hij zegt ook “Als Rosario een bundel gedichten uit wil geven, gaat het naar het Cultureel Centrum Curaçao en houdt zijn hand op, waar de blanke Nederlanders dan een paar dubbeltjes ontwikkelingshulp in stoppen.” “Niet waar,” vindt Rosario, “lang niet elke schrijver krijgt subsidie, daarbij wordt gediscrimineerd. Waarom kan Frank Martinus Arion zijn nieuwste bundel niet uitgeven? “Dat komt,” zegt Brown, “omdat Frank Martinus liever met zijn luie reet op een stoel een biertje zit te drinken, in plaats van met zijn gedichtenbundels de huizen langs te gaan om ze te verkopen.” “

Gewoon een omschrijving van wat er gezegd werd op die “teach in”. Waarom heb ik dat citaat gekozen? Om even iets te vertellen over Stanley Brown. Stanley Brown richtte na die staking van mei die politieke partij FOL op, samen met Papa Godett en Amador Nita. Hij is zo’n blanke autochtoon, die zich alles kan permitteren. Stanley Brown kan als enige blanke een zwarte uitschelden. Hij is 1 van hen! De moeder van zijn vader, die dus Brown heet, kwam van Statia trouwens, en de familie Brown is op Statia een belangrijke familie. Stanley Brown is still very much alive, lees zijn website stanleybrownthinktank.org er maar op na.

Het citaat laat ook zien hoe klein de wereld in Curacao is. He, ze hebben het weer eens over Arion! Aha Brown, die de FOL oprichtte! O was Rosario er ook? Zeker ook onze vriend Jules de Palm… Debrot was in 1969 trouwens de Gouverneur van Curacao, Hermans reisde met hem naar de bovenwindse eilanden.

Waar was Boeli? Arion zat niet in de zaal, maar Boeli? Boeli ook niet? Of was Boeli in die tijd niet op de Antillen?

Boeli was wel zeker op de Antillen, hij was “hoofd algemeen juridische zaken”, en 43 jaar oud. Na de opstand van 30 mei bleef hij in zijn hoge bestuursfunctie, zijn deskundigheid maakte hem onvervangbaar, en door zijn onpartijdigheid was hij voor blank en zwart aanvaardbaar. In de krant heeft hij over de opstand geschreven. In 1970 maakte hij in opdracht van de Staten een “Verslag over de toekomstige staatkundige structuur van de Nederlandse Antillen”, ben benieuwd wat hij voor ogen had. In 1972 volgde het rapport: “De Nederlandse Antillen tussen Nederland en Venezuela”. In 1973 (zelfde jaar dat “Dubbelspel” van Arion uitkwam), stonden de Antilliaanse kranten vol over een ‘Geheim Rapport’ dat Van Leeuwen gemaakt zou hebben over de relatie met Venezuela.

Spannend allemaal.
Hermans gaat in op de politiek in zijn nawoord. Hij moet wel! Hij schrijft dit:

“Ik hou niet van de term neo kolonialisme. (………)
Mocht het Koninkrijksstatuut worden opgeheven dan zal dit voor Nederland de bevrijding van een last betekenen en voor Suriname en de Antillen weinig veranderen. Het zijn niet de vroeger koloniale naties die nog altijd de voormalige koloniën uitbuiten, zoals de ontmaskeraars van het neo kolonialisme ons verzekeren, maar internationale ondernemingen. Het zijn grote maatschappijen zonder vaderland, waarvan de ontwikkelingslanden op leven en dood afhankelijk zijn, Suralco of Shell zijn feitelijk niet aan een natie gebonden en daarom zijn ze heel wat machtiger dan een voormalige koloniale mogendheid als Nederland. Dit neemt niet weg, natuurlijk, dat hun winsten wel grotendeels in westerse landen terechtkomen.”

Klopt nu nog meer dan toen, toch?

Hermans heeft in zijn boek, ik denk achteraf omdat de actualiteit hem daartoe dwong, op een rijtje gezet wat “links” (hoewel in 1969 deed je “links” niet tussen aanhalingstekens) bezighield. Hier komt het:

“Kleine bloemlezing uit wat links allemaal op het hart heeft:
a) Links twijfelt aan het nut van de band tussen Nederland en de Antillen. Het mijmert over aansluiting bij Venezuela, of een Antilliaanse federatie.
b) Is de slavernij wel helemaal afgeschaft? De gekleurde lijdt nog altijd aan minderwaardigheidsgevoelens tegenover de blanke. De arbeidersklasse moet meer klassenbewust worden. De houding van Nederland is paternalistisch.
Barrioleaders, mensen die een gewichtige rol spelen in de plaatselijke politiek, hebben te veel macht en zijn corrupt. Ze gebruiken hun politieke machtspositie om familieleden te bevoordelen, enz.
c) De versnippering van de gemeenschap in allerlei groepen en groepjes die elkaar tegenwerken: katholieken tegen niet-katholieke (83% van Curaçao is katholiek, maar de groep ‘blanke protestanten’ is zeer invloedrijk), mensen die met een Nederlander zijn getrouwd en anderen die dat niet zijn, enz.
d) De grote macht van de geestelijkheid (het proletariaat is katholiek)
e) De macht van de rijken en grootgrondbezitters. De buitenlandse maatschappijen als de Shell, die een te groot deel van de winst het land uit brengen. Landhervorming. Shell heeft ongeveer de helft van Curaçao in bezit.
f) Er zou beheersing van bereizen en lonen moeten komen, net als in Nederland.
g) Is Nederlands de geschiktste taal voor de Antillen?
Nee, want voor het overgrote deel van de Antillianen is het niet de taal die ze van hun moederen leren, blijft het dus altijd een vreemde taal, die ze maat gebrekkig leren kennen. En wat meer zegt: het is geen belangrijke taal in het werelddeel waar ze leven. Engels of Spaans zou daarom beter zijn.
Ja maar… Spaans zou de Benedenwinden bevoordelen, Engels de Bovenwinden. Nederlands daarentegen bevoordeelt alle zes Nederlandse Antilliaanse eilanden in gelijke mate, tenminste de heersende kasten aldaar, die van huis uit Nederlands spreken, Hebben de kwade tongen die beweerden dat dat nu juist de bedoeling is, ongelijk?”

Ik denk dat veel mensen er nu nog steeds zo over denken.

Doet je wel twijfelen aan de stappen die nu in 2008 VEERTIG jaar later ondernomen worden…….

Na al deze politiek, om recht te doen aan De laatste resten tropisch Nederland, ook een stukje echte literatuur, want ook daar staat het boekje vol van. Hermans is erg gelukkig in Suriname, dat lees je er aan af. Een Hermans die niet zwartgallig en nors is? Ja! Het is voorgevallen en je leest het in dit boek. Hij zal een hele goede tijd hebben gehad met zijn vrouw, zij was tenslotte een Surinaamse. Zo zag ze er rond 1969 uit. Eronder Hermans, ongeveer ook in die tijd.

Maar nu het citaat:

“Maandag 20 januari
Vroeg uit bed en gaan zwemmen. Het huis ligt op het uiterste van het eiland, dat de rivier in 2en klieft. Ik waag me zonder argwaan in de stroom, wagen is het woord niet, want ik heb niet eens aan de stroom gedacht. Ineens bemerk ik dat ik niet meer terug kan naar het punt waar ik in het water ben gestapt. Ik zwem naar voren, maar het eiland verwijdert zich steeds verder, het gaat nog meer naar voren dan ik. Sterke stroom zeker. Toch zal ik terugmoeten, want alleen waar ik te water gegaan ben, kan ik er ook weer uit komen, alleen daar is de oever laag genoeg. Ik verdubbel mijn slagen, maar kom nog niet vooruit. Wat zou dat. Ik kan hier natuurlijk nog staan en naar de kant lopen. Mis. Staan kan ik wel, maar niet op de plaats waar ik wil en lopen gaat ook niet. De rivierbodem is van keiharde klei, waarop mijn voeten zelfs met gekromde tenen geen houvast kunnen vinden. Zo, zo. Hoe kom ik weer op het droge? Misschien nooit meer. Schitterend einde voor iemands biografie. Op 20 jan 1969 verdronk hij in de Marowijne. Ik herinner me dat een regel van het Surinaamse volklied luidt: Trotse bomen, fiere stromen. Kon erger. Maar mijn worsteling met de riviergodin blijkt niet onopgemerkt te zijn gebleven. Fransi komt er aan in een korjaal en hijst mij aan boord. Gered. De biografie weer dikker. Onder het afdrogen kan ik voelen hoe sip ik kijk. Onze donkere natuurvrienden hebben intussen een papegaai gevangen die met een poot is vastgebonden aan een touw, onderaan de trap naar het balkon. Hij krijst met uitgespreide vleugels als ik naar boven loop, maar misschien is dat alleen omdat hij nog niet praten kan.”

De Marowijne.

25 jan
Frank Martinus Arion
“Stemmen uit Afrika”
Met deze gedichten debuteerde Arion in 1957. (als de scanner weer werkt zet ik er een fotootje bij van hoe hij eruitzag in 1957)
Het is heel mooi en ook aandoenlijk, een zwarte jongen (in 1936 geboren), op zoek naar zijn roots, begiftigd met heel groot taaltalent, jaren vijftig, de liefde voor zijn eigen mensen, de hoop dat het beter met ze zal gaan, dat ze trots op zichzelf zullen worden….. Martin Luther King had nog niets van zich laten horen, black power was geen mainstream, het was proberen, verkennen, voorzichtig en dat klinkt zo:

De negerman, hij strijdt
immer slechts voor wat hij had:
de vrijheid van ‘t gaan,
het kiezen van zijn graf.

hij strijdt en wankelt;
weerloos, hulpeloos omdat
de wapens van de nieuwe
wereld hem zo vreemd zijn.

de lans die hij hanteert – de oude eerlijkheid misschien –
doorsteekt hemzelve, voor hij
anderen een steek heeft toegebracht.

En hij heeft geen legers.
O hij strijdt alleen in
het hete vuur, op de kronkel-
wegen van het lot, en blijft
dus keusloos-nederlaag-gedoemd.

Gerrit Komrij heeft deze uitgekozen voor “Komrij’s Nederlandse Poezie”:

Eens zijn alle negers
tamtammend uitgevaren
uit hun zwart-ompaalde negorijen

hun prauwen schoten
over de rivieren,
dwalend door ‘t woud.

eens, maar eens is ver
en eens is langgeleden.

nu gaan zij als karbouwen.
mak-geslagen, lam.
beroofd van hun tam-tam
en slepen stenen aan
waar anderen bouwen.

12 jan
Dylan van Eijkeren: “Witboi”, 2006
In 1969 heeft WF Hermans een reis gemaakt langs “De laatste resten tropisch Nederland”, hij beschrijft de reis die begint in Suriname en die via Curacao, Aruba, Bonaire, Sint Maarten en Saba eindigt in Sint Eustatius. Hermans, die altijd zo venijnig is, is heel mild over de verre gebiedsdelen. Dit heeft de schrijver van dit reisverslag “Witboi” geprikkeld en dat is een van de redenen dat hij in de voetsporen van Hermans deze reis heeft gemaakt. Hoeveel van Nederland is er te zien in die overzeese gebiedsdelen?
Het is makkelijk te lezen en ik vind de typeringen die hij van de eilanden en Suriname maakt raak en ben het eens met zijn kritiek. Het boekje is nu erg actueel. Ik raad iedereen die op een makkelijke manier heel veel te weten wil komen over Suriname en de Antillen aan dit boekje te lezen. Zijn reis is een reis van ongeveer twee, drie weken geweest, je zou dus kunnen zeggen dat zijn observaties wat oppervlakkig zijn en zijn kritiek wat weinig gefundeerd. Maar dat is niet zo, net als bij ontmoetingen is het bij reizen ook dat de eerste indrukken het beste kloppen en die kritiek: Hij heeft er goed over nagedacht. Er zullen vast mensen zijn die zich aangesproken voelen: Wat zegt hij nou over mijn eiland!, maar ja, de Antillianen en Surinamers lezen dit boek niet. Het is door een Nederlander geschreven, met een Nederlandse kijk en aan het Nederlandse publiek. Ik voelde me wel aangesproken toen hij schreef dat er twee soorten Nederlanders op de Antillen en in Suriname wonen: de zwartgeldmensen: makelaars, tv- presentatoren, binnenhuisarchitecten enz. en de nep geemigreerden die er mager en sjofel uitzien en te dom zijn om echt te emigreren, dan zou je een formulier moeten invullen….
Ze kankeren op Nederland, zijn voor het klimaat en de regeltjes gevlucht, hun leven op zo’n eiland speelt zich geisoleerd van de rest van de samenleving in een klein Nederlands kringetje af, ze geven geen kritiek op hun eiland, ze zullen nooit iets doen voor de gemeenschap waar ze in wonen.
Jammer dat ie geen goede leraar heeft gesproken.
Jammer dat ie niets van Boeli van Leeuwen heeft gelezen.
Titel is trouwens leuk gevonden: hij is zelf een “witte boy” en hij heeft een zakje witboi detergent in Suriname gekocht, witte waspoeder en bij geen enkel vliegveld heeft iemand zich afgevraagd wat hij met dat zakje witte poeder wilde doen.
Gesprek met de schrijver over witboi te horen op:
http://surinaams.caribiana.nl/Cultuur/car20061106_witboi

1 dec
“Mijn Zuster de Negerin” van Cola Debrot (1902-1981)
Grondlegger van de Antilliaanse literatuur.
Cola Debrot, geboren in Kralendijk Bonaire, vader had een plantage, moeder kwam uit Venezuela, in Nederland rechten en medicijnen gestudeerd, werd huisarts in Curacao, later ook politiek ingegaan. (van ’62 tot ’70 gevolm. minister van de Antillen) Na 1970 in Nederland blijven wonen. Had aan het eind van zijn leven last van zware depressies.

“Mijn Zuster de Negerin” (1935) is het debuut van Debrot. Het is een novelle en vertelt het verhaal van een man, wiens vader is gestorven op Curacao. Zijn moeder was al eerder doodgegaan, hij moet naar Curacao om zaken met de notaris af te handelen. Hij komt na 16 jaar vanuit Europa naar het eiland en het verhaal gaat over die eerste avond dat ie aankomt. De notaris nodigt hem uit om bij hem thuis te eten en heeft een kamer gereserveerd in een hotel. De man neemt van dat aanbod geen gebruik, hij wil alleen met de oude Ford van zijn vader naar de plantage. De korte tropenschemering valt……. Het is het mooiste boekje (66 p.) dat ik tot nu toe gelezen heb, de slotzin is: “Droevig werd het leven, maar het werd vol van een zinrijkheid die het elders mist. En dit is het enige dat men de kinderen dezer aarde niet kan ontnemen.”

26 nov
“De Rots der Struikeling” van Boeli van Leeuwen
De schrijver heb ik al eerder besproken.
Deze roman is zijn eerste roman, gepubliceerd in 1959.

De schrijver vertelt het verhaal van Eddy Le Jeune.
Eddy is verdronken in het amazonegebied toen hij op zoek was naar diamanten. De schrijver krijgt een aantal documenten in handen, Eddy had gevraagd om ze na zijn dood aan de schrijver te geven. Aan de hand van die documenten vertelt hij het verhaal van het leven van Eddy le Jeune. Het is direct ook een beetje het verhaal van de schrijver zelf. In Curacao opgegroeid als blanke jongen, naar Nederland gegaan om te studeren en daarna geen grond meer onder zijn voeten kunnen krijgen. Eddy le Jeune voelt zich nergens thuis. Net als in de eerste Adam worden godsdienst, het leven op het eiland en de jeugd besproken. De jeugd van Eddy le Jeune was moeilijk, zijn vader heeft zichzelf doodgedronken, had steeds terugkerende aanvallen van agressiviteit en gekte en daarover wordt een sterke analyse gemaakt. De rol van de moeder van Eddy bijvoorbeeld, die dan op de vader wachtte om hem te kunnen vernederen.
Het verhaal is goed gecomponeerd, het begint met de schrijver, die eigenlijk een soort “pak van Sjaalman” in handen krijgt. Hij luidt daarmee het verhaal heel rustig in. Het verhaal van Eddy Lejeune in de jungle, samen met zijn compagnon op zoek naar de diamantenschat is het mooiste stuk van het verhaal. Omdat het een verhaal vertelt! Die Boeli laat zich vervolgens net als in de eerste Adam gaan, met bespiegelingen over het eilandleven en de godsdienst. Daarna wordt weer verteld over het leven van Eddy Lejeune in Nederland en zijn jeugd in Curacao. Het gefilosofeer en de verhalen wisselen elkaar mooi af.

23 nov
“De morgen loeit weer aan” van Tip Marugg
Tip Marugg is ook een blanke Curacoaenaar, was bevriend met Boeli van Leeuwen, schreef drie boeken en een gedichtenbundel, zijn laatste boek “De morgen loeit weer aan” werd gepubliceerd in 1988 en was genomineerd voor de Ako literatuurprijs. Andere boeken zijn:
1946 – 1951 – Afschuw van licht (gedichten)
1958 – Weekendpelgrimage (roman)
1967 – In de straten van Tepalka (roman)
Zelfde thema’s als bij Boeli: het eilandleven, de geschiedenis, de mensen, de armoede, de hitte, de natuur, seks, jeugd, geloof.

“De morgen loeit weer aan” is het verhaal van een oude man aan het eind van zijn leven. Hij leeft alleen met een paar honden en drinkt whiskey en bier. Het verhaal vertelt over de laatste nacht van deze man. Hij mijmert over zijn jeugd, gebeurtenissen in zijn leven en soms komt een roes of een visioen met beelden van de verrotte wereld. In die visioenen komt de natuur, de smerige kant van de mensheid, het verval, maar ook de verlossing, het verlangen naar de jeugd, naar puurheid tevoorschijn. Hij schrijft beeldend, dwz. hij gebruikt veel beelden, veel omschrijvingen in een soort associerende stijl. Soms komt er een verhaal van vroeger naar boven dat verteld wordt. In die verhalen is de ik-figuur een rustige jongen die stil observeert. De ik-figuur nu, als oude man, heeft het alleen maar over hoe hij zijn whiskey en bier drinkt, hoe hij op zijn stoepje zit en wat hij voelt als hij de whiskey en het bier drinkt. De opbouw van het verhaal is heel goed, bepaalde beelden komen steeds terug, de roesverhalen bouwen zich op, de jeugdherinneringen zijn er mooi tussen geweven. Het hele boekje leest als een gedicht. De zon, de maan, de sterren, de bergen, de rivieren, de zee, de vogels, de insekten, de mensen, de hele natuur wordt gebruikt om het verhaal te vertellen.
Het belangrijkste thema is denk ik de jeugd en hoe mooi het is om onbevangen en nog niet verziekt te kijken naar de dingen om je heen. Waarom de oude man zichzelf uiteindelijk doodschiet, is een beetje een raadsel omdat je niet een oordeel hoort over de verrotte wereld. De man zegt dat ie somber is, de beelden gaan weliswaar diep in op de rotting in de wereld en in de menselijke natuur, maar het lijkt er niet op alsof die beelden hem pijnigen, de man zit vol zelfspot (hoe hij bv. omschrijft hoe hij zich midden in de nacht staat te douchen) en die herinneringen van hem zijn mooi…….. Hij heeft het prima naar zijn zin zou je zeggen………. Waarom zelfmoord?………

“De Eerste Adam” van Boeli van Leeuwen (eerste druk 1966)
Boeli van Leeuwen is een blanke Curacoaenaar, zoon van de voormalige gouverneur. Vanuit Curacao naar Den Haag gegaan, daar het gymnasium gedaan (op het lyceum aan het stokroosplein (nu Segbroek)) Later rechten gestudeerd in Leiden en na rondreizen met gezin in Curacao voor het eilandbestuur gewerkt. Werd op latere leeftijd pro deo advocaat voor de armen…… Hele carriere ook geschreven, bekendste boek is debuut “rots der struikeling”. Op de achterkant van dit boek staat hij afgebeeld als man van een jaar of 45, maar is al 85.

Mooi boek over een priester, Bodin, die naar Curacao gaat en een man, Adam ontmoet. De ontmoeting vindt pas plaats als er nog maar een stuk of 10 bladzijdes te lezen zijn en loopt tragisch af. Voor de ontmoeting gaat het vooral over godsdienst, het leven op Curacao en de voorgeschiedenis en omstandigheden van die Adam (Kleinzoon van man die als kind afgebeult werd in touwfabriek, zoon van radicale socialist en “mulattin”). Een boek met veel hele goede intelligente stukjes die je zou willen overschrijven. Helaas legt de schrijver alle personages (bv. ook de vreemde dr. Luis die bij Adam en zijn familie op het land woont) dezelfde woorden in de mond, ze spreken allemaal dezelfde taal; die van de auteur. Het maakt de personages ongeloofwaardig, wat dat betreft is het niet een goed boek. Maar wat ze meemaken en hoe het daar is op Curacao is wel heel goed beschreven, heel rauw en kort door de bocht.
Het is eigenlijk een filosofisch boek over hoe je als mens tegenover andere mensen zou kunnen staan en hoe je de mensen bekijkt, vandaar de priester (Bodin) die daar veel boeken over geschreven heeft en Adam, die het leven zonder plan leeft maar eigenlijk als een ware priester mensen helpt.
Wat de personages daarover zeggen is op zich wel interessant, alleen, tja, ze hebben het stuk voor stuk juist over Kierkegaard en Dostojevski en Sartre, toch gek bij zulke verschillende mensen. Ze gebruiken zelfs onafhankelijk van elkaar dezelfde beeldspraak………
Vreemd, nooit meegemaakt dat een boek zo geschreven is……..

9 november 2007
St. Eustatius “The treasure island of the Caribbean”
Eric O. Ayisi
(Africa World Press)
Meneer Ayisi is professor aan de Universiteit van Ghana en is voor het “William and Mary Institute” een aantal zomers in St. Eustatius geweest om het eiland te bestuderen. Hij beschrijft de geschiedenis, de sociologie, de politiek, het onderwijs, de economie… Het is niet om doorheen te komen omdat hij steeds in herhaling valt. Het is ook niet wetenschappelijk omdat ik er niet uit kan halen hoe hij dit eiland heeft onderzocht. Hij dist wel mooie theorieen op en probeert die dan in de situatie van St. Eustatius te passen.
Je leert wel wat meer over het eiland, wat hij bijvoorbeeld zegt is dat het onderwijs zich moet richten op de toekomst van het eiland. Niet allemaal een bussiness degree halen, maar leren landbouwen enz. Er is een discrepantie tussen wat de mensen kunnen en doen en wat ze hebben. Het eiland is niet productief, maar alle comfort van de westerse wereld is aanwezig. Er zijn projecten geweest, bijvoorbeeld om de visserij op een hoger plan te brengen, maar die zijn niet gelukt. Wat ook interessant is, is wat hij schrijft over de gezinssituaties. Hier op het eiland is het 1 grote familie. Kinderen worden niet in een kerngezin opgevoed, maar door oma’s, tantes enz. Dat is hoe het in Afrika ook gebeurt. Meisjes krijgen jong kinderen, oma voedt die op en de moeder wordt behandeld als een van de zusjes van het kind. Wat dat precies doet met een kind wordt niet duidelijk gemaakt. Het kind heeft in ieder geval een grote groep mensen om op terug te vallen. Maar het maakt de hechting niet zo groot denk ik en daarmee is er niet een enorm normbesef denk ik, dat schrijft de prof. niet op, maar dat maak ik er van. En dan over de politiek: Op dit eiland is iedereen heel vreedzaam, er is bijna geen sprake van geweld. Maar des te agressief gaat het er aan toe in de verkiezingstijd. Tenminste, hij schrijft dit eind jaren 80. (Ik hoop dat wij nog verkiezingen gaan meemaken hier) Dan wordt alles uit de kast gehaald om de politieke tegenstanders zwart te maken. Politiek is hier een familiegebeuren. Er staan altijd broers, zwagers en vaders op de verkiezingslijsten. Wat wel kwalijk is en als dat nu nog zo is, zou dat echt moeten veranderen: Als een bepaalde partij heeft gewonnen en de meerderheid (van vijf), dus drie zetels heeft, dan moeten de ambtenaren die de wetten uitvoeren ook van de winnende partij zijn. Mensen verliezen dan dus hun banen en nieuwe mensen worden aangenomen. De ambtenaren moeten natuurlijk neutraal zijn en gewoon als experts hun werk kunnen doen.

1 november 2007
Cornelis Goslinga – “De Zwarte Engel”
Antilliaanse verhalen
Minder grappig dan die oude Antilliaanse verhalen (zie onder)
Gaat vooral over Curacao vanaf jaren 1950.
Geeft wel veel inzicht over hoe de mensen op de Antillen met elkaar omgaan. Over de Shell op Curacao, buitenkinderen, liefde, dood, armoede……..

Jules de Palm – “lekker warm, lekker bruin”
Over een Antilliaan die in Nederland verantwoordelijk was voor de beursstudenten die vanaf de Antillen in Nederland gingen studeren. Die jongeren hadden in de plaats waar ze woonden een mentor die met problemen bij die Jules de Palm aankwam.
Veel verhalen over die problemen: Dat die jongeren het gek vinden dat niemand ze groet op straat, dat ze beledigd zijn als ze iets in huis moeten doen (het waren vaak kostgangers), dat ze vaak in hun ogen enorm goed gekleed waren (aubergine- kleurig colbert, gouden sieraden) en hoe die Jules de Palm daar tegen aan keek, met veel spot geschreven, erg lekker leesbaar, beetje van de hak op de tak, anekdotisch.

26 oktober 2007
Non-fictie:
Bij Meneer Lampe hebben we een aantal bijzondere boeken doorgenomen:
Geschiedenis van de bovenwindse eilanden: Prof. Dr. L. Knappert
Historie en oude families van de Nederlandse Antillen; Dr. Ds AJC Krafft (Nijhoff 1951)
Oranje en de zes Caraibische Parelen 1898-1948
In dat boek Geschiedenis van de bovenwindse eilanden viel me dit volgende rijtje op:
In 1699 waren er op dit eiland 399 blanke mensen en 385 slaven
In 1702 102 blanken en 271 slaven
In 1715 524 blanken en 750 slaven
In 1736 530 blanken en 1066 slaven

22 oktober 2007
Frank Martinus Arion – “Dubbelspel”
Het verhaal speelt zich af op een zondagmiddag op Curacao en de handeling is een spelletje domino.
De vier mannen die iedere zondag samen domino spelen onder de tamarindeboom van Boeboe Fiel, hebben ieder hun eigen geschiedenis. Hun vrouwen ook. Het boek is opgedragen aan “vrouwen met moed”. Nora, Solema en Micha zijn de drie vrouwen die in het boek voorkomen.
Nora is de vrouw van Boeboe Fiel, ze gaat met Chamon, een van de andere dominospelers naar bed om zo aan geld te komen. Boeboe Fiel is taxichauffeur en brengt zijn geld te vaak naar de hoeren of naar het gokken. Ze had die ochtend al met de koster van de kerk geslapen en daar een tientje aan verdiend en nu moet ze nog 5 gulden hebben, want schoenen voor haar oudste zoon kosten 15 gulden en die is al twee weken niet naar school geweest omdat hij geen schoenen heeft en volgende week begint de proefwerkweek. Haar zondag gaat over die vijf gulden die ze moet zien bij elkaar te sprokkelen. Boeboe Fiel is de nacht van zaterdag op zondag niet thuisgekomen, hij had beloofd met 60 gulden thuis te komen, maar hij kwam pas ’s ochtends en zonder geld. Wat heeft Boeboe Fiel gedaan? Een feestje gevierd bij Micha, een vrouw uit Santa Domingo die geld verdiend als hoer in het “hoerenkamp”. Haar dochter was die dag jarig en ze wilde een feestje houden. Ze zag Boeboe en koos hem uit. Boeboe kreeg een gratis nacht met een prachtvrouw, maar verloor toch al zijn geld met poker. Een van de andere dominospelers is Manchi, deurwaarder van beroep. Hij woont naast Boeboe en heeft daar een enorme villa in Toscaanse stijl gebouwd. Zijn vrouw Solema is onderwijzeres, heeft in Nederland gestudeerd en staat bekend als een zedige vrouw. Toch is ze een keer vreemdgegaan en Manchi straft haar daar meedogenloos voor. Iedere dag moet ze hem de vijf gulden geven die hij van haar minnaar heeft geeist omdat die minnaar “onrechtmatig gebruik maakte van andermans eigendom”. Solema is verliefd geworden op een andere dominospeler: Janchi. Janchi is vrijgezel, woont in een onafgemaakt huis.
De dominospelers praten veel over politiek. Vandaag in het bijzonder omdat Janchi door Solema is aangestoken met socialistische ideeen. De landsmensen moeten zelf produceren, moeten zich vrijmaken! Boeboe is niet met zijn hoofd bij het spel vandaag. Hij speelt samen met Manchi die er ook niet helemaal bij is omdat hij een plan heeft om een vakantiehuisje aan de kust te bouwen en op te houden met dominospelen. Hij moet leren bridgen!
Het verhaal van Nora die de aandacht van Chamon probeert te trekken vanwege die 5 gulden is het mooist. Uiteindelijk gaat ze de deur uit, haar moeder heeft dat haar geleerd: als je vastzit, als het moeilijk is, ga dan op pad! Ze gaat naar Nora, de buurvrouw, die koffers aan het pakken is omdat ze bij Janchi wil gaan wonen. Nora geeft haar de vijf gulden die ze steeds aan haar man moet geven.
Wanneer Nora teruggaat naar huis om de dominospelers bij staan met rum, krijgt het verhaal surrealistische proporties.
Al met al een geweldig rijk boek, soort Gabriel Garcia Marques sfeer. Enorme schrijverskunst want een simpel spelletje domino is zo spannend als een slagveld van een belangrijke oorlog! Op de Antillen is dit boek verplichte literatuur voor de boekenlijst op de middelbare school.
Het was het debuut van Arion, geschreven in 1973, vorig jaar was hij in Nederland want het boek werd uitgedeeld in de bibliotheken. Hella Haasse heeft er nog een mooi stukje over geschreven, zie http://www.cpnb.nl/nll/2006/

17 oktober 2007
Cornelis Goslinga: “De vrome Smokkelaar”
over de schrijver: Prof. dr. Cornelis Goslinga, historicus en kunsthistoricus, woonde jarenlang op Curacao, waar hij leraar geschiedenis was. Van 1961 to 1975 doceerde hij Caraibische geschiedenis aan diverse universiteiten in de Verenigde Staten. Naast talrijke wetenschappelijke publicaties schreef Goslinga diverse verhalen- en dichtbundels.

“De vrome Smokkelaar” is een bundel verhalen over het leven in de slaventijd op de Nederlandse Antillen in de 18e en 19e eeuw. De verhalen zijn gebaseerd op waargebeurde feiten.
Ze zijn simpel en grappig geschreven, het boekje leest als een trein en omdat het veel verschillende verhaaltjes zijn, met steeds andere hoofdpersonen: bv. gouverneurs, priesters, kooplieden, landeigenaren, slaven, vrije lieden, krijg je een idee over de verhoudingen tussen die mensen en ook over bijgeloof, manieren van met elkaar omgaan, enz. Heel erg leuk om te lezen!

Er kan niet gereageerd worden op dit artikel

-