Deprecated: Function set_magic_quotes_runtime() is deprecated in /var/www/vhosts/kusterseducatie.nl/rickenmiek.nl/textpattern/lib/txplib_db.php on line 14
Into The Wild Wild West: Nicky Spaans Meneer Eygenraam en Rosbief en Onderbroekje

Nicky Spaans Meneer Eygenraam en Rosbief en Onderbroekje

mei 12, 10:41

Laura en Annet

Laura en Annet den Heijer woonden in het huis onder de onze. Hun moeder, Truus, was thuisnaaister. Iedere avond hoorde we het geratel van de naaimachine als we moesten slapen. Haar naaikamertje was onder de slaapkamer van mij en mijn zusje. Truus was een grote blonde vrouw. Ze was net zo groot als Gerrit, haar man. Gerrit was een mooie man, dat kon ik als klein meisje al zien. Misschien zag ik het aan zijn houding, hij liep erbij alsof hij de ladykiller van Scheveningen was. Blonde krullende lokken en lichtblauwe ogen. Hij was gespierd en altijd bruin. Hij werkte als badmeester bij het luxebad. Het luxebad was een stukje strand, aan het begin van het Zwarte Pad, waar je moest betalen om op het strand te zitten. Je kon vanaf de pier over het strand niet bij het Noorderstrand komen , omdat er een hek tot in de zee was rond het luxebad. Gerrit den Heijer zat daar de hele dag in zo’n hoge witte stoel de mensen in de gaten te houden. Vandaar dat gebruinde en gespierde lijf. Misschien wist ik ook dat Gerrit een mooie man was omdat mijn moeder en mijn oma het vaak over hem hadden. “Kijk, daar loopt Gerrit! Weer in zijn blote bast! We moeten allemaal maar zien wat een lijf hij heeft!” Gerrit liep in de Bosschestraat te paraderen in zijn blote bast.

Laura, de jongste dochter, zat een klas hoger dan ik. Annet zat nog eens twee klassen hoger. Met zulke blonde gezonde mensen als vader en moeder, moesten zij ook wel mooie meiden zijn. En dat waren ze. Vooral Annet. Annet had de blauwe ogen van haar vader met donkerblond, dik haar. Haar wimpers waren zwart, alsof ze mascara op had. Zij speelde niet echt buiten, ze stond te praten met haar vriendinnen. Er was altijd wel een jongen die achter Annet aanzat. Die jongens kwamen uit andere straten speciaal naar onze straat om Annet te zien. Soms stond ik vanuit mijn slaapkamer achter het gordijn te kijken naar Annet en die jongens en meisjes. Ik moest zo vroeg naar bed, dat ik nooit moe was. Het geklets en gespeel met mijn zusje duurde eindeloos. Het acht uur journaal begon al en we sliepen nog steeds niet. Ik moest altijd veel kwijt aan mijn zusje. Alle gekheid die in me zat en waar ik overdag niets mee deed, kwam er voor het slapen gaan uit. Ik kan me niet goed herinneren wat ik dan allemaal te vertellen had, het waren voornamelijk fantasieverhalen en verkleedpartijen met de lakens. Ik drapeerde mijn laken, die ik Frits noemde om me heen en maakte een modeshow voor mijn zusje. En als ze sliep ging ik soms stiekem naar Annet kijken. Het geratel van de naaimachine, het geklets van de meiden buiten en het geluid van de televisie in de huiskamer, daar sliepen we bij in.

Er gebeurden een aantal drama’s bij de familie Den Heijer. Eerst kreeg Annet een hoef van een paard tegen haar hoofd. Die twee meiden waren nogal vaak in de manege te vinden en Annet was zo’n paardenliefhebber dat ze onder een paard ging zitten. Het paard werd boos en schopte met haar voorbeen naar achteren. Groot gat in het hoofd van Annet. Annet naar het ziekenhuis en toen ze terugkwam was de helft van haar hoofd kaalgeschoren en zag je de hechtingen zitten. De wond had de vorm van een hoefijzer. Deze gebeurtenis maakte dat mijn idool in een gewoon meisje veranderde. Annet, het mooiste meisje van de buurt heeft een kaalgeschoren hoofd! En omdat alle kinderen als aapjes naar haar gingen kijken, deed ik het ook. Annet was niet meer ver weg, ze was dichtbij en ze was aan de dood ontsnapt! Want natuurlijk waarschuwden de moeders dat wij nooit zoiets doms moesten doen als Marjan had gedaan. Onder een paard gaan zitten! Een paard is een gevaarlijk dier, je kunt een paard nooit vertrouwen!

Na die episode met het kaalgeschoren hoofd van Annet, kwam er een tweede drama. Truus ging er vandoor. Ze was weg en had haar gezin in de steek gelaten. Het geratel van de naaimachine was weg.
Gerrit was alleen met de twee meiden en liet zich niet al te vaak zien. Het was een schok. Een moeder die een vader en twee dochters in de steek liet! Er werd flink wat gespeculeerd door mijn moeder en mijn oma en de mensen die ’s middags een borrel bij mijn oma dronken. De vrouwen waren verontwaardigd omdat Truus er met een vrouw vandoor was. Ze was verliefd geworden op een vrouw! Truus, die de mooiste man van Scheveningen aan de haak geslagen had, liet hem in de steek voor een vrouw! Wat een belediging voor Gerrit! En iedereen had eerst gedacht dat Truus problemen had met Gerrit omdat Gerrit te veel met andere vrouwen aan de haal ging. Maar nee, Truus hield van vrouwen!

En Laura kwam opeens vaak bij ons thuis. Ze wilde dan met mij spelen in de keuken en hapjes maken van allerlei dingen uit blik. We maakten spinazie met knakworstjes of pindakaas met jam door elkaar. En dan vroeg ze of ze die hapjes mee naar huis mocht nemen! Mijn moeder mocht er niets van weten! Ik begreep er niets van, ze was zo bazig ineens en zo dwingend over die vervelende spelletjes met eten in de keuken. En wat bleek? Ze at die gekke hapjes samen met Annet op! Ze hadden geen eten in huis! Ik ben een paar keer naar beneden gegaan. Het was een ongelooflijke puinhoop. Het stonk naar de hond die niet uitgelaten werd en de keuken was een grote bende. Je zag van buiten af dat het huis steeds meer verwaarloosd werd. Gordijnen kapotgetrokken door de hond, de gordijnen van het naaikamertje altijd dicht, tot er een andere vrouw kwam. En toen nog een vrouw. En toen kwam Truus weer terug. We hoorden het aan het geluid van de naaimachine. En Gerrit ging weg. Nooit meer gezien, die Gerrit, ook niet in zijn stoel bij het luxebad

De liefste herinnering aan mijn moeder.

Toen ik een jaar of zes of zeven was, sliep ik met mijn zusje in de grote slaapkamer aan de voorkant van het huis. Naast onze kamer was een kleinere kamer en mijn vader had een stuk muur tussen die twee kamers eruit gehakt en een boog gemaakt. Door die boog kwam je in dat andere kamertje. In dat kamertje had mijn vader zijn oude pick-up neergezet en ook zijn map met oude singletjes lag daar. We luisterden wel eens naar die oude singletjes, “Michèle” van de Beatles was mijn lievelingsliedje. Op die pick-up konden we ook langspeelplaten spelen, mijn zusje en ik hadden er vier: twee van de Fabeltjeskrant, een van “Kunt u ons de weg naar Hamelen vertellen meneer” en Indische sprookjes verteld door Johan Fabricius. Wat een rijkdom! We hadden veel muziek in ons huis: mijn moeder hield van Gordon Lightfoot en Judy Collins, Joni Mitchell en Crosby, Stills, Nash and Young, mijn vader had meer met Bach, Beethoven, Handel, en met alle groten van de moderne jazz, laten we zeggen de hard-bop. Miles Davis, Lester Gordon, Art Blakey, Cannonball Adderley, John Coltrane. Mijn moeder kon er nooit tegen als hij naar die muziek luisterde. Dan was er een feestje en dan MOEST mijn vader gewoon zijn muziek draaien. Dan werd het helemaal onrustig, we zaten lekker te spelen, moesten we dat gezeur en geklaag van onze moeder weer aanhoren!

We leefden er goed, mijn zusje en ik. ’s Ochtends vroeg maakte onze vader ons wakker om half acht. Hij deed net alsof we grote haast moesten hebben om half acht, we moesten altijd enorm opschieten met wassen en aankleden, want we moesten helemaal aangekleed aan de ontbijttafel zitten. We dronken hete thee en mijn vaders’ brillenglazen kregen een laagje condens. Mijn moeder was dan of weer terug naar bed gegaan, of in bed gebleven. Ze had slaapproblemen, lag vaak vanaf een uur of drie/vier wakker, viel dan om zeven/acht uur in slaap. Of helemaal niet en dan moest ze ’s middags voor de kachel op de grond, met een klein kussentje nog een slaapje doen. Vlak voor het eten geloof ik. Mijn vader zei dan altijd dat ze beter in bed kon gaan liggen, maar dat deed ze niet.

Ik had op vrij jonge leeftijd al in de gaten wat een onhuishoudelijk type mijn moeder was. Ze ging bijvoorbeeld stofzuigen vlak voordat mijn vader thuiskwam, zodat hij steeds thuiskwam in een huis waar gestofzuigd werd. Ze lag ook vaak uren in bad. Ze was dan heel vrolijk, zei dat ze haar schoonheidsbad hard nodig had en soms mochten we bij haar in het bad om haar haar te wassen.

Mijn zusje en ik mochten veel van onze moeder. We hadden een keer iets gebakken in de oven en de hele keuken was vies. We moesten het zelf opruimen en het kostte haar veel moeite om ons dat te laten doen. Ik weet niet meer hoe het gelopen is, maar de opruimpartij eindigde met een ijsbaan situatie, mijn zusje en ik hadden de keukenvloer zo glad gemaakt met afwasmiddel, dat we konden schaatsen op onze blote voeten. We hadden schortjes aan en sjaaltjes op ons hoofd en mijn moeder vond het zo leuk dat ze foto´s ging maken.

Thuis kon alles en op school moest je je stoeltje aanschuiven, de juf een handje geven en stilzitten. En er waren kinderen die ruzie maakten, roddelden, elkaar bekritiseerden, die zelfs vochten!

Ik kon niet wennen aan dat geroddel. Ze vroegen bijvoorbeeld vaak “voor wie ik was”, als er eens een ruzie was. Die kleine ukkies moesten partij kiezen… Ik wist niet eens wie dat waren waar ik partij voor moest kiezen! Soms kende ik de meisjes die ruzie hadden wel, maar dan had ik geen idee waar de ruzie over ging en dan kwamen ze weer: “Voor wie ben jij?” Ik wist het vorige keer ook al niet, hoe moet ik het nu opeens weten?

Wat ook even wennen was, was dat het zo groot was op school en dat er zoveel donkere hoeken waren. Een donker stuk gang waar je door moest om op een donker stuk van het speelplein te spelen. Een beetje staan springen op een randje, een beetje rondrennen, een beetje klapspelletjes proberen, papagaaitje leef je nog ofzo, maar vooral rennen, naar de zonnige kant van het plein met een grote boog rennen. En intussen stonden ze ruzie te maken in dat donkere stuk van de speelplaats bij dat stoepje. Stonden ze daar met zijn allen samen te scholen! En dan ging de bel en dan moest je naar dat donkere stoepje en daar kreeg je het weer: ’’Voor wie ben jij…’’

“Ik ben voor niemand,” zei ik steeds weer en dan werd het een woordenstrijd; ik móést voor iemand zijn! Ik moest kiezen en ik wilde niet kiezen! Ze keken op je neer als je voor niemand was. Je hoorde er niet bij als je voor niemand was. Ik dacht dat ze na een poosje op zouden houden, maar nee hoor, telkens kwam het weer: “Voor wie ben jij…”

Thuis voelde ik me soms bezwaard, dan dacht ik dat ik geen vriendinnetjes met die ruziënde meisjes kon worden en ook niet met die meisjes die “Voor wie ben jij…” vroegen.

De avond voor het jaarlijkse schoolreisje, we zouden de volgende dag met de bus naar een pretpark gaan, het zal wel Drievliet zijn geweest, lag ik te huilen in bed. Mijn moeder kwam naast me zitten en vroeg: “Wat is er?” Ik zei natuurlijk dat er niets was, dat ging nog een poosje zo door, ik onder mijn deken verstoppen, mijn moeder de deken eraf halen, en ze bleef doorvragen: “Ben je zenuwachtig voor het schoolreisje morgen?” Die vraag is de liefste vraag die mijn moeder mij ooit heeft gesteld.

Ze troostte me, zei dat ik mocht doen wat ik wilde op het schoolreisje. “Weet jij wat je morgen heel hard gaat roepen in de bus…” “Nou,” zei ik en ik klaarde al op, want er ging iets leuks komen; “…Joepie duhuh POEPIE!!!”
En de volgende dag, toen de bus klaarstond om te vertrekken en we al een beetje begonnen met snoepjes ruilen, riep Ronnie Max, het grootste schoffie uit de klas heel hard: “Joepie duh POEPIE!!!” Ik kreeg een heel warm gevoel, ik wilde aan het meisje naast me zeggen dat mijn moeder dat ook al had gezegd, maar toen ik mijn mond opendeed, deed ik hem snel weer dicht. Dat kón natuurlijk niet!

NICKY SPAANS

Ik had een vriendinnetje, Nicky Spaans. Ze stond een beetje alleen in de groep van de andere meisjes waar ik mee omging. Misschien was het omdat ze zichzelf zo bijzonder vond. Ze had grote bruine ogen, lang bruin haar en leefde in haar eigen wereld, die vooral voor de spiegel plaatsvond. Ik stond dan naast haar voor de spiegel en dan ging ze ons bekijken. Haar eigen lange haar, waar ze staarten en vlechten in kon doen en mijn korte haartjes waar we dan ook een staart in probeerden te doen. Ze vertelde me geheimen, dat ze nog met een knuffelbeer sliep, welke knuffels haar lievelingsknuffels waren…… Haar grootste geheim was, en ik breek nu de belofte, ik mocht het nooit in mijn hele leven aan iemand vertellen: Ze was in een woonwagen geboren. Nicky kwam uit een circusfamilie. Haar moeders familie heette Molenaar, van de oliebollenkraam.

Nicky had rotte tandjes. Ze sliste daarom een beetje, maar ze vond zichzelf er niet minder mooi om. Een keer hadden we op school in de klas van mevrouw Donselaar een les over tandenpoetsen. Wie moest voor de klas komen en met haar rotte tandjes uitleggen hoe je je tanden moest poetsen? Nicky. Geen spoor van schaamte, ze legde uit dat je met de borstel niet dwars over je tanden moest poetsen, maar van boven naar beneden.

Ik bekeek Nicky met bewondering, maar, omdat de andere meisjes dat ook deden, moest ik haar ook wel haten. Dan schaamde ik me als ik met haar ging spelen. Alle meisjes letten erop met wie je speelde. Als zij dan bij mij speelde en we gingen buiten op straat spelen, waren al mijn andere vriendinnetjes daar en die gingen mij dan raar aankijken dat ik een indringer meegenomen had. Dan liever bij haar spelen. Bij Nicky speelden we binnen of speelden we in de tuin. We gingen ook wel eens tussen de middag naar het werk van Nicky’s moeder. Ze werkte in het bejaardentehuis, als wij kwamen was ze bezig met afwassen, ze leerde ons hoe je een stapel borden snel moet afdrogen.

Die moeder was erg lief. Ze sprak heel anders dan de andere moeders tegen ons. Ze maakte veel grapjes en was geïnteresseerd in ons. Toen Nicky een klein broertje kreeg, kwam ik kijken. Die moeder zat met dat babytje aan de borst. Ik liep snel de kamer weer uit: De blote borst van een moeder! Maar de moeder van Nicky riep me terug en zei dat ze het niet erg vond als ik haar borst zag, ze moest het babytje toch voeden!

Op een dag wilde Nicky dat ik bij haar ging spelen en ik had geen zin. Ik wilde gewoon op straat spelen. Op straat spelen was het leukste wat er was. Er waren altijd een hoop kinderen en je ging met zijn allen besluiten wat je wilde doen. Bovendien kon je op ieder moment ophouden. Als je met één vriendinnetje speelde, zat je de hele tijd met dat ene vriendinnetje, dan ging dat meisje een web om je heen weven, een web van geheimen en dan zat je gevangen in dat web. Het web van de spulletjes op de kamer, een web van roddels, een web van: nu ben jij mijn beste vriendin……….
Ik zei tegen Nicky dat ik met mijn moeder naar de stad ging. “Je moeder werkt toch?” “Ja, maar vanmiddag is ze vrij.” En ik speelde op straat in de brandende zon, we zaten daar lekker bij het portiek van mijn oma en daar kwam Nicky. “Je ging toch naar de stad?” “Ik wacht op mijn moeder.”
Ze ging weer weg. De andere kinderen gingen zich ermee bemoeien. Er ontstond een hele straatdiscussie over Nicky en dat ik tegen haar loog. Het was verschrikkelijk. Ik wilde gewoon een beetje hangen op straat, zonder moeilijkheden. En na een uur kwam Nicky weer, ze wilde met ons meespelen tot mijn moeder zou komen. We gingen maar gewoon spelen, mijn moeder kwam niet, ik deed maar of ik het vergeten was. Maar Nicky stak me nog af en toe: “Wanneer komt je moeder nou?” En ik maar hopen dat mijn moeder niet opeens voor onze neus zou staan………..

MENEER EYGENRAAM

In de eerste en tweede van de lagere school kreeg ik les van juffrouw Donselaar. We zongen altijd: “O, juffrouw Donselaar, wat staan je benen raar!” Dat liedje kwam van de fabeltjeskrant en juffrouw Donselaar leek echt op juffrouw Ooievaar. Ze was wel wat dikker dan een ooievaar en ze liep meer als een gans, met haar dikke kont naar achteren en haar kop met snavel van de overbite, naar voren. Juffrouw Donselaar was heel streng, maar wat moest ik vaak lachen om juffrouw Donselaar. Haar stem kwam van hoog boven in haar keel. Net als een gans of een ooievaar, laten we maar zeggen, net als een vrouwelijke vogel, het kan ook een kip zijn, moest ze haar nek uitrekken en haar hoofd naar voren houden om het geluid zo naar buiten te kunnen krijgen. En als ze dan wat zei en het was daarna weer stil, dan echoode dat geluid van die stem na in mijn hoofd. Ik weet niet meer of de rest van de klas dat ook had, maar ik kon dan bijna mijn lachen niet meer inhouden. Wat een mens! Juffrouw Donselaar was gescheiden en had twee grote kinderen. Mijn moeder vertelde dat Rita Donselaar behoorlijk goed de bloemetjes buiten kon zetten en dat ze regelmatig een man aan de haak sloeg. Dat ging mijn voorstellingsvermogen te boven.

In de jaren zeventig kampte het onderwijs met dezelfde problemen als nu. Er was vaak lesuitval en dan moest onze klas opgedeeld worden, de ene helft ging bijvoorbeeld naar juffrouw Leildgeb en de andere helft naar meneer Eygenraam. Ik wilde liever bij juffrouw Leildgeb terecht komen. Daar stonden de tafeltjes niet in rijen, zoals bij ons, maar in groepjes. Je kon dan heel makkelijk bij elkaar in de schriften kijken en de grote meisjes lieten dan trots hun handschrift zien. Wij moesten precies zo schrijven zoals het in de boekjes stond en zij mochten gewoon zelf weten hoe ze schreven!

Wij kregen juffrouw Leildgeb in de derde. Ze was de meest populaire juf van de school. Ze was heel klein, ze moet iets van 1 meter 50 zijn geweest, want ik was in de derde bijna even groot als juffrouw Leildgeb. Ze had hele grote borsten en dan had ze haar ogen opgemaakt, lippen gestift, een mooie krul in haar haar gefohnd en strakke truitjes aan. Ze had vaak een paars truitje aan met een col en een bruine broek. De broek was van nylon met wijde pijpen en ze had hoge blokhakken eronder. Maar zelfs met blokhakken stak ze nog niet boven de grote jongens uit.

Juffrouw Leildgeb had een goede manier gevonden om met het soort kinderen om te gaan dat ze in de klas kreeg. De jongens waren namelijk niet voor de poes. Het waren jongens die “Kankerlijer” naar de juf of meester schreeuwden. Jongens die de sleutel van de gymzaal jatten, waar de hele klas op moest wachten als ze aan de beurt waren met voorlezen. En die iedere pauze vochten.

Wat deed juffrouw Leildgeb? Ze verzorgde haar nagels in de klas, stifte haar lippen, maakte zich op, vertelde over haar verloofde, ging de plantjes verzorgen als wij een werkje moesten doen, liet de jongens saucijzenbroodjes halen als ze daar trek in had, kortom, ze zorgde ervoor dat alle meisjes haar bewonderden en dat de jongens verliefd op haar werden. En als het te druk werd in de klas, floot ze keihard op haar vingers. De jongens probeerden het na te doen, maar juf Leildgeb spande de kroon. Oorverdovend! Ronnie Max, een van de grootste schoffies, bracht vaak kadootjes voor haar mee. Dat was nog een keer een drama omdat hij eerst lippenstift van zijn moeder had gejat om aan de juf te geven en een andere keer zelfs lippenstift uit de winkel had gejat. Meneer Breure, het hoofd van de school was daar achter gekomen en kwam zelfs in de klas om er met ons over te praten.

Als je geluk had, had je juffrouw Leildgeb in de derde en in de vierde, als je pech had kreeg je in de vierde meneer Eygenraam. Onze klas had geluk, we kregen meneer Eygenraam pas in de vijfde. Hele klas door het dolle dat we nog een jaar bij juffrouw Leildgeb mochten blijven. Juffrouw Leildgeb had ons het gevoel gegeven dat we uitverkoren waren, dat zij per hoge uitzondering ook de vierde ging doen, speciaal voor ons.

Eerste, tweede, derde, vierde en toen de vijfde met meneer Eygenraam.

Je wil van de juf of meester houden, je zoekt naar eigenschappen in de juf of meester om je aan vast te klampen, eigenschappen die je vertrouwd zijn, stabiliteit. Dat was bij juf Leildgeb heel makkelijk. Ze was blij met zichzelf, ze lachte veel en ze kon ons aan. Juf Donselaar was ook makkelijk: ze was streng. Maar bij meneer Eygenraam was dat moeilijker. Hij had wel mooie ogen. Mooie grote bruine ogen. Maar die ogen keken zo verdrietig. Hij was lang en slungelig. Je volgt toch de hele dag zo’n lichaam en dat lichaam van meneer Eygenraam, tja, het was wel handig, hij kon makkelijk uit zijn stoel komen en zich naar het bord omkeren, maar het was zo nerveus. Zijn handen trilden en het was alsof ook zijn voeten trilden, hij had van die schoenen aan met een soort rubberen zolen, heel grote schoenen en dan die dunne lange benen…….. Hij leek wel heel oud,want juffen en meesters zijn altijd heel oud, maar dat lichaam was zo springerig, niet stabiel. Ik geloof dat de klas daar onrustig van werd.

Meneer Eygenraam deed vreselijk zijn best. Hij had een zwarte tas met rits waar hij het werk uithaalde, hij had een grijs pak aan, hij sprak heel rustig en zacht en als hij op het bord ging schrijven had hij een prachtig handschrift, maar dan ging hij alles wat hij verteld had letterlijk op het bord schrijven en dat duurde een eeuwigheid! Het hele bord kwam vol te staan en waarom deed hij dat?

Alles ging langzaam in de klas met meneer Eygenraam. En om het draaglijk te maken ga je je dan inleven in de leraar. Waar komt hij vandaan? Waarom kijkt hij zo verdrietig? Is hij helemaal alleen?

Omdat meneer Eygenraam zo nerveus was, had je nooit persoonlijk contact met hem. Ik denk dat ik toch wel van meneer Eygenraam hield. Ik zocht iets in hem om van te houden en ik vond de mooie ogen, de nerveuze slanke handen en het lijden van meneer Eygenraam. Henk Eygenraam heet hij.

Soms dacht ik dat hij bijna ging huilen. Maar toch herinner ik me dat de klas vaak stil was. Alles duurde heel lang, maar we waren een stuk rustiger dan bij juffrouw Leildgeb. Ik weet nog dat we een keer een oefening deden. We moesten allemaal doodstil zijn en op een blaadje schrijven wat we allemaal hoorden. Wat was dat fijn! We hoorden de vogels fluiten, de glazenwassers schreeuwen, het geklepper van een vuilnisbak, een paard, misschien wel van de lorrenboer. Ik weet nog dat ik alles voor me zag, ik zag de vrouwen de was ophangen, ik zag ze de rommel in de vuilnisbak gooien, ik zag de vogels in de bomen, de glazenwassers op hun ladders staan, de lorrenboer met paard en wagen rijden, en ik verlangde ernaar om rond te lopen door die stille straten. Wat zou het fijn zijn om buiten rond te lopen terwijl iedereen op school zit!

Ik was bij meneer Eygenraam altijd de beste met opstellen schrijven. Misschien deed ik mijn best wel voor hem!

Een keer had ik een verhaal geschreven over een reis in de ruimte. Het begon met de astronaut die door zijn microfoontje contact had met de aarde. “Hallo aarde,”zei hij,”bent u daar?” Ik had dat gedaan omdat ik de regels van de aanhalingstekens zo leuk vond. Aanhalingstekens openen, zinnetje, komma, aanhalingstekens sluiten, zegt ze, komma, aanhalingstekens openen, rest van het zinnetje, punt, aanhalingstekens sluiten. Het was net zo leuk als haken of breien: insteken, omslaan, doorhalen, af laten glijden!

Meneer Eygenraam vroeg of ik dat uit een boek had gehaald, dat begin, of ik dat ergens had gelezen, maar nee, ik had het zelf verzonnen. Ik dacht dat dat een belediging was, maar het was natuurlijk een compliment. Dat verhaal van de ruimte ging als volgt verder: die astronauten waren hun best aan het doen om zo ver mogelijk de ruimte in de reizen en toen stootten ze tegen de rand van de ruimte aan.
Ik als alwetende verteller ging dan verder: die rand was de binnenkant van een schoenendoos en onze ruimte was niets anders dan de inhoud van een schoenendoos en twee reuzen waren aan het gooien met die doos. Die reuzen zaten geloof ik weer in een andere schoenendoos, ik weet niet meer hoe ik die oneindigheid heb opgelost, maar goed, het verhaal was prachtig en ik moest het voor de hele klas voorlezen.

ROSBIEF

Toen ik zeven jaar was, dit was in het jaar 1973, moest ik een keer een kilo rosbief halen bij de slager. Ik woonde op de Harstenhoekweg en de winkels waren om de hoek. Ik had al vaker boodschappen gedaan en het begin van de wandeling was altijd een beetje eng. Je moest dan langs het donkere stuk van de harstenhoekweg. Je kwam dan langs grote donkere ramen en ik wist dat er een heks woonde achter een van die ramen. Ik wist alleen niet precies achter welk raam en dat maakte dat dat hele stuk harstenhoekweg eigenlijk alleen rennend afgelegd kon worden. Maar zodra je de hoek om sloeg, scheen de zon in je gezicht en kwam je de drukke wereld in van verkeer, winkels, stadsbussen, en, ja, het klinkt raar, maar dan leek de wereld een beetje op de wereld van oma. Oma woonde namelijk aan de zonnige kant van de Bosschestraat, de straat achter onze straat. Hoe zonnig die oma woonde daar kan ik nog lang over doorvertellen, de rozen in de tuin, de lorrenboer die langskwam, het geklepper van de vuilnisemmers, de ramen die werden gezeemd met ammoniak, de lakens die ik met haar opgooide, om ze netjes op te kunnen vouwen, oma aan de ene kant en ik aan de andere, de la met oma’s sjaaltjes die we op ons hoofd mochten doen.
Ik liep de hoek van het harstenhoekweg om, een meisje van zeven jaar, niet met lange haartjes, maar met kort haar, zodat de mensen vaak dachten dat ik een jongetje was, en ik liep daar met een opdracht.

De opdracht was een kilo rosbief en ik moest naar de slager.
De slager waar ik naar toe ging, was gesloten. Nu had ik de keus: ga ik naar rechts de Stevinstraat in, naar de keurslager, of ga ik naar links, naar de iets duurdere slager. Ik ging naar de keurslager. De keurslager had geen rosbief. Ik was nu al de hele Gentsestraat doorgelopen om voor niets bij de eerste slager aan de deur te duwen en nu was ik ook nog eens voor niets naar rechts gegaan, terwijl ik net zo goed meteen naar links had kunnen lopen. Ik moest nu heel ver. Ik wist dat er een slager was helemaal na het postkantoor, bij het stukje waar al bijna geen winkels meer zijn. Dat was een hele tocht en niet zo’n fijne tocht. De winkels waar ik langsliep waren niet de winkels waar ik vaak kwam. Een beddenwinkel, banketbakker Bergen van Henegouwen, nooit geweest, een winkel waar ze hout verkopen en de groentewinkel waar de jongens van Polderman woonden. Die jongens van Polderman zag ik liever niet. Ze hadden vaak ruzie met andere jongens en ze vochten vaak. Ik was wel verliefd op Robbie Polderman. Volgens mij was ik ook verliefd op de jongens waarmee hij vocht. Is het niet zo dat een meisje van zeven op alle grote jongens uit de buurt verliefd is? Zit zo’n meisje van zeven niet steeds te kijken en op te letten of die grote jongens ergens rondhangen? Je moest altijd opletten in de buurt. Er was altijd de mogelijkheid dat een groepje jongens of meisjes iets naar je ging schreeuwen. Kans dat daar bij de groentenman Robbie Polderman zit te spelen, dus blij als ik er langs ben en er niets is gebeurd. Er was ook zo’n vent bij de houtwinkel die het leuk vond om tegen iedereen aan te kletsen. Maar bij die man had je kans op iets lekkers, dus dat was dan een stuk minder bedreigend. Trouwens, bij de slager waar ik nu naar toeging, kreeg je ook altijd een plakje worst.
Zo liep ik daar, dan weer rondkijkend naar mensen die tegen me zouden kunnen praten en die ik dan zou moeten groeten of die ik misschien zou kunnen ontwijken. Dan weer in volle concentratie de stoeptegels bekijkend, want dat was ook weer zoiets moois van mijn jeugd. Al die stoeptegels en dat er zoveel verschillende stoeptegels waren en dat je ze op een gegeven moment zo goed kent en echt ook van ze houdt op de een of andere manier. Dat je van de stoeptegels in je eigen straatje zo goed weet welke donkergrijze komen in het patroon en hoe je moet lopen om snel en zonder de randjes aan te raken toch die donkergrijze te ontlopen. En dat al je vriendinnnetjes dat ook precies weten.

Zo liep ik daar met de opdracht in mijn hoofd en omdat die opdracht moeilijk was, liep ik daar extra trots. Het zou me lukken: een kilo rosbief. En ik bestelde een kilo rosbief en de slager vroeg of ik dat zeker wist. Moet je niet een ons rosbief hebben? En ik zei dat ik zeker wist dat het een kilo moest zijn. Die vrouw van de slager ging zich er ook mee bemoeien. Of ik wel wist wat een kilo was! Weet je hoe zwaar een zak aardappels weegt, weet je hoeveel een aardappel weegt? Waarom begon die mevrouw over aardappels te praten? Een zak aardappels weegt 5 kilo, zei ze. Ik begreep niet waar die mevrouw naar toe wilde, ik moest een kilo rosbief hebben.
Wat duurde het lang voordat ze klaar waren met die kilo rosbief! Allerlei mensen werden geholpen en ze bleven maar bezig met die rosbief. De weg terug naar huis moest ik rennen, want ik moest bij die slager al zo nodig plassen! En daar kwam ik aan bij mijn moeder met de kilo rosbief en wat kreeg ik: een boze moeder! De slager had de rosbief in plakjes gesneden, als broodbeleg, en mijn moeder wilde gewoon een heel stuk rosbief. En mijn moeder zei: “Waarom let je dan niet op? Hoe kan je denken dat ik zoveel plakjes rosbief nodig heb,” maar ik zei: “Ik heb gewoon gezegd een kilo rosbief….” Het heeft mijn moeder heel veel moeite gekost mij terug te sturen naar die slager en daar gingen ze moeilijk doen! Ze wilden die plakjes rosbief niet ruilen voor een heel stuk rosbief. Ik weer terugrennen naar huis. Rennen terwijl je huilt. Terwijl je niet wil laten zien aan de jongens Polderman dat je huilt. Terwijl je alweer bijna in je broek plast.
Maar wat was ik trots toen ik iets later met mijn moeder bij die slager stond! Dat hij het in zijn hoofd had gehaald om zo’n kind terug te sturen met die plakjes rosbief!
Is dat niet een van de fijnste dingen, een van de fijnste jeugdherinneringen, dat je moeder je verdedigt? Dat je moeder boos op iemand is omdat iemand je onrechtvaardig heeft behandeld? En daar hobbelde ik weer met mijn moeder mee, en hoewel ik wel voelde dat ze geirriteerd was, want ik moest bijna rennen om haar bij te houden, was ik toch blij! Mijn moeder was speciaal voor mij terug naar de slager gegaan! Mijn moeder was wel even boos op mij geweest, maar dat was niets vergeleken met hoe kwaad ze nu was! En zo hobbel je maar door, als meisje van zeven…

ONDERBROEKJE

Toen Floor en Suus klein waren, zaten ze op de Montessori Waalsdorp basisschool. Er liep daar een vrouw rond die erg op mij leek. Net als ik had ze blond haar en donkere wenkbrauwen. Ik zat vaak onder de boom op het speelplein en dan liep zij met haar kinderen aan de hand het gebouw binnen. Ze had meestal een zwarte outfit aan. Een zwarte broek of rok en een zwarte stola.
Zo’n stola is een mooi kledingstuk. Het is in tegenstelling tot alle andere kledingstukken tegelijk slonzig en zwierig. Mocht het zo zijn dat je rondloopt met gaten en vlekken op je kleding, dan is een stola een uitkomst. Je slaat hem om je schouders en als je er verder een beetje leuk uitziet, je haren zijn gekamd en je stinkt niet, dan straalt er zwierigheid en zelfs deftigheid van je af!
Ze zong vaak. Mooie jazz-achtige liedjes, engelstalig. Zo’n vrouw die met zo’n stola op het schoolplein loopt te zingen, is die wel helemaal normaal, denk je al snel. Maar het fijne was dat ze helemaal normaal was. Ik ben een paar keer bij haar thuis geweest. Ze woont op de hoek van de Waalsdorperweg en het zijstraatje tegenover de Vrije School. Een van de mooiste huizen van Den Haag. Je komt binnen in een enorme hal met een trappenhuis dat je zo van beneden naar boven kunt volgen. Met zo’n soort balkon vanaf de eerste etage naar beneden. In die hal, recht tegenover je als je naar binnen komt en dus onder dat balkon heeft ze een enorm aquarium neergezet. Leuk idee, mocht je in de hal binnenkomen en je praat wat en de conversatie stokt, kun je altijd nog naar de vissen kijken. Of over de vissen gaan praten. Ik ben natuurlijk uit bewondering door dat hele huis gaan struinen en ja, het was vol leven en gezelligheid met een hoop katten en veel apparaten: computers, spelcomputers, televisies, geluidsapparatuur voor haar band, want ze zong ook nog eens in een band. Ook veel boeken en tijdschriften en kranten in stapels en ook heel veel voorraad eten en drinken voor de katten en voor de mensen. Veel schoenen en laarzen en skates, veel tassen en jassen, veel asbakken en ook veel dingen op vreemde plaatsen. Schoenen voor de wc-deur, fietsen op de grond in de kamer, potloodtekeningen op de muur.
Het was een mooi huis en onder alle spullen zag je ook een paar prachtige antieken meubelen staan, maar helaas, het stonk naar kattepis.
Op een zaterdagochtend bleef ik een keer na voetbal bij haar kletsen. Dat deed ik nooit, bij niemand, ik was overal altijd maar even, maar deze keer bleef ik. Ze vertelde me over haar leven, wat ze vroeger allemaal gedaan had en hoe ze zich nu voelde. Ik vertelde ook over mezelf, zij was erg geinteresseerd en het voelde fijn om met haar te praten. Ik vond haar heel aardig.
Ik had die ochtend mijn haar opgestoken, ik had mijn haar in een knotje in mijn nek. Dat had ik niet met een elastiekje gedaan, maar met een zwart onderbroekje. Het was een nogal sexy onderbroekje, meer een soort elastische string, een broekje dat ik een poos daarvoor van Inge had gekregen. Zij bestelde soms bikinibroekjes uit Brazilie, dan weet je het wel. Toen ik met haar aan de keukentafel aan het praten was, en een beetje op mijn hoofd kriebelde, merkte ik plots dat mijn haar los was. Ik was het onderbroekje kwijt! Tijdens dat hele fijne gesprek met al die ontboezemingen zat ik te piekeren over dat broekje. Stel dat haar man dat broekje ziet. Dan denken ze dat ik zo’n soort broekje normaal gesproken draag! En wat zullen ze denken: dat ik dat broekje als een lokmiddel heb neergelegd? Dat ik aan ze wil laten weten dat ik onwijs sexy ben?
Het broekje heb ik niet gevonden. Het moet daar in huis zijn achtergebleven.

Daarna ben ik die vrouw steeds uit de weg gegaan. Ik zag dat ze het jammer vond, maar als je eenmaal begint met iemand uit de weg te gaan is er geen weg meer terug. Ik heb nooit meer met haar gesproken. Wel heel graag willen weten wat ze heeft gedacht toen ze dat broekje vond. En dan de onzekerheid, want misschien is ze het broekje nooit tegengekomen! Misschien heeft ze het broekje een keer met alle troep opgeveegd en is het in een keer in de prullebak verdwenen. Misschien heeft haar dochter van 13 het broekje wel gevonden en in het geheim bewaard, misschien wel haar zoontje van 11!

Het vreemde van dit verhaal is dat je zou denken dat het incident met het verloren onderbroekje veel sterker uit zou komen in een omgeving van mensen die alles altijd goed opruimen en die goed zijn in het opmerken van details. Maar toch, het verliezen van het onderbroekje in dit huis, waar het bijna niet opvalt, maakt het alleen maar erger. Dat de mogelijkheid er is dat ik me voor niets druk heb gemaakt en dat ik daardoor een vriendin ben misgelopen.
De vrouw uit het verhaal vertelde me overigens dat ze met een zuivelpromotieteam een tour door Amerika heeft gemaakt. Ze danste. Het zal voor de lezer niet moeilijk zijn zich voor te stellen hoe het kostuumpje eruit zag dat ze daarvoor heeft aangehad. Over haar man zal ik ook iets persoonlijks vertellen. Hij verscheen een keer op de voetbalclub met een scheur in de bilnaad van zijn broek. De andere moeders en vaders riepen dan heel kinderachtig “bilnaad” door de kantine. Hij heeft thuis natuurlijk ontdekt dat hij zo heeft rondgelopen en misschien heeft hij zich erg geschaamd.
Ach, er zijn zoveel overeenkomsten tussen mij en deze arme, lieve, verlegen, maar ook heel intelligente mensen!
(ps. dit laatste zinnetje is voor Rick om gek te worden van ergernis, maar ik kan hem niet wissen! Iedereen moet toch lachen, lijkt mij, om dat zinnetje……)

REACTIES

  1. je bent het keihard op de vingers fluiten van jurouw leidgeb nog vergeten!!!ik lach me er dood om.Je bent je aan het voorbereiden op je eigen cariere als lagere school juffie zeker??? dag kus van je zus

    paulien jansen · 25 oktober 2007 · #

Er kan niet gereageerd worden op dit artikel

-